Naar hoofdmenuNaar hoofdinhoud

HomeThema's

Max Paumen

27 sep 2017

Bij vermoedens van seksueel misbruik door cliënten onderling, is een aangifte niet altijd succesvol. Daarom hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de VGN nieuwe afspraken gemaakt, waarin de veiligheid en de veerkracht van het slachtoffer voorop staan.

afbeeldingen

Afbeelding 1 van 1

Twee mannen met een verstandelijke beperking gaan iedere woensdag bij elkaar op de koffie. Ze wonen drie deuren bij elkaar vandaan en krijgen begeleiding van dezelfde instelling. Op een dag vertelt de ene man dat hij op die woensdagen stelselmatig wordt verkracht door de ander. Daarvan is aangifte gedaan bij de politie.
Het politieonderzoek dat daarop volgde, kwam traag op gang. De politie kwam regelmatig informatie inwinnen, maar verhoren bleven lang uit. Dit zorgde voor toenemende spanning bij zowel pleger als slachtoffer. Die zaten er op het laatst helemaal doorheen en de zaak werd uiteindelijk geseponeerd.  ‘Wij hadden al veel eerder het idee: stop er maar mee’,  zegt Henriëtte van der Aa, gedragsdeskundige en lid van het Consultatie en Adviesteam Seksualiteit bij Reinaerde. ‘Het was uiteindelijk een zaak met alleen maar verliezers. Deze casus is achteraf besproken met het Openbaar Ministerie. Zij hebben toen zelf geconcludeerd dat ze eerder willen meekijken bij een dergelijke aangifte.’

Brandpunt

Een andere zaak met alleen maar verliezers kwam in 2015 in het nieuws. De ouders van Siebe Marchal vertelden toen in het actualiteitenprogramma Brandpunt dat de aangifte van verkrachting van hun zoon keer op keer werd geweigerd door de politie. Die zou er bij voorbaat geen heil in zien omdat er twee mensen met een verstandelijke beperking bij betrokken waren.
De Tweede Kamer hield daarna een hoorzitting, op 24 juni 2015, over de problemen bij aangiftes van zedendelicten, seksuele weerbaarheid en misbruik van mensen met een verstandelijke beperking. Yet van Mastrigt, zedenexpert bij het Landelijk Programma Zeden, Kinderpornografie, Kindersekstoerisme, was daarbij aanwezig en sprak met de ouders van Linda. ‘Als je hoort hoe deze zaak gelopen is, dan krijg ik plaatsvervangende schaamte’, vertelt ze. ‘En ook in mijn contacten met zorginstellingen hoorde ik dat wij niet voorspelbaar genoeg zijn. In de ene regio volgt altijd een informatief gesprek na een melding van seksueel misbruik tussen cliënten, terwijl het in de andere regio telefonisch wordt afgedaan. Er waren te veel verschillen in aanpak.’
Tijd dus om rond de tafel te gaan zitten samen met het Openbaar Ministerie en de VGN. Resultaat daarvan is een addendum op de eerdere handreiking Sturen op aanpak van seksueel misbruik. Het addendum heet Veiligheid en veerkracht versterken.’

Contactpersonen

‘Door het addendum hebben we meer duidelijkheid’, zegt Henk Kouwenhoven, bestuurder bij Sherpa en betrokken bij de totstandkoming van het addendum. ‘Het omschrijft helder wat justitie kan doen en in welk stadium. Van informatief gesprek tot aangifte. Bovendien zijn er tien vaste contactpersonen aangewezen in iedere politie-eenheid. Zij zijn aanspreekpunt voor overleg. De relatie tussen zorginstelling en politie is hierdoor helder geworden.’
Henriëtte van der Aa merkt in de praktijk de positieve effecten van het addendum. ‘Die vaste contactpersonen zijn voor veel instellingen iets nieuws en dat werkt goed. We organiseren ook bijeenkomsten met de contactpersonen en betrekken hen bij het geven van scholing. Op die manier leren we elkaar steeds beter kennen en is er meer wederzijds begrip.’
Van der Aa zag in de loop der jaren het denken veranderen. ‘Eerst was de heersende mening: het gaat om mensen met een verstandelijke beperking, strafrecht doet er dus niet toe’, zegt ze. ‘Daarna was de trend: er zal en moet aangifte komen. En nu is de werkwijze: we kijken naar wat in het belang is van de cliënt, het vermoedelijke slachtoffer. Hulpverleners kunnen dat niet alleen. Daarvoor hebben we de kennis van politie en justitie nodig. Wij kunnen niet alle gevolgen van een aangifte overzien en de neveneffecten daarvan.’

Aangifte

‘Zoals bij een cliënt die een duidelijke onthulling deed over misbruik door een familielid’, vervolgt ze. ‘De begeleider dacht het juiste te doen door aangifte te doen bij de politie. De familie van de cliënt werd boos en dreigde het contact te verbreken. Maar als je eenmaal aangifte hebt gedaan is dat niet meer terug te draaien. Je kunt je dan afvragen of het doen van aangifte in dit geval het beste was voor de cliënt want die was erg geschrokken van de reactie van de familie. Ze had geen grip meer op de situatie.’
Daarom vindt Van der Aa de volgende zin uit het addendum een belangrijke: ‘Aangifte doen betekent een vraag naar opsporing van de vermoedelijke dader. Daarbij moet je goed afwegen of dit in het belang is van het vermoedelijke slachtoffer. Centrale vraag is of het de veiligheid en de veerkracht van het vermoedelijke slachtoffer versterkt.’
Voor Jos Dekker is dat ook een speerpunt. Hij is contactpersoon voor instellingen in de gehandicaptenzorg in het Team Noord-Nederland van de Zedenpolitie. ‘Recent hadden we een melding van een cliënt die een medewerkster had lastig gevallen op het randje van aanranding’, vertelt hij. ‘We hadden over deze cliënt al eerder een melding gehad. Toen was het slachtoffer een medebewoner. Samen met de instelling overleggen we dan wat het beste is om te doen: aangifte of een ander traject. Zoals de seksuele problemen van deze cliënt gaan behandelen. Met elkaar werden we het erover eens dat een strafrechtelijk traject niet de oplossing was. Maar we hebben er wel een melding van gemaakt in ons systeem. Uiteraard bespreken we deze zaken altijd met het Openbaar Ministerie, zij moeten ook akkoord gaan met de gekozen werkwijze.’

Veiligheid voorop

‘Als het grensoverschrijdend gedrag niet stopt, dan moeten we praten over een volgende stap’, vervolgt Dekker. ‘Die kan richting strafrecht gaan, maar je kunt ook denken aan andere maatregelen zoals overplaatsing naar een andere plek. De instelling heeft wel de intentie uitgesproken om te willen doorgaan met deze cliënt, maar daar zijn wel voorwaarden aan verbonden. We hebben het met elkaar daarover. En wij willen ook weten hoe het verder gaat met een casus. Want de veiligheid moet voorop staan.’
Na een melding over misbruik tussen cliënten volgt altijd een informatief gesprek bij de zedenpolitie. Dat staat in het addendum en was al langer gebruikelijk in de regio Noord-Nederland. “De melding komt binnen per telefoon of mail’, legt Jos Dekker uit. ‘We maken dan de afweging: moeten we meteen acteren of kan het wachten? Directe actie is nodig als we sporen moeten veiligstellen, er een onveilige situatie is, maatschappelijke onrust of eerdere incidenten met dezelfde persoon. Dan wordt het “prio 1”. Alle andere meldingen krijgen een informatief gesprek als daar ruimte voor is in onze planning.’

Beter uitleggen

Yet van Mastrigt vindt betere uitleg door de zedenpolitie van het hoe en waarom van een bepaalde aanpak belangrijk. ‘Zo hebben we nog wel eens discussies of we een informatief gesprek alleen doen met de manager en dat de cliënt pas later aan de beurt is. Dat doen we dan niet omdat we de cliënt niet serieus nemen. Maar omdat het beter is voor het onderzoek. Dat soort zaken moeten we goed onderbouwen en beter uitleggen.’
Van Mastrigt geeft een voorbeeld uit de praktijk: ‘Twee cliënten zien elkaar vaak in een gezinsvervangend tehuis. Ze zijn gek op elkaar. Op een avond gaat de jongen verder dan het meisje wil. De begeleiders zien dat het meisje boos en in zichzelf gekeerd wordt. Is dat vervelende gevoel van dat meisje doordat er iets strafbaars is gebeurd? Dat moet je goed uitzoeken als er twee mensen met een verstandelijke beperking bij betrokken zijn. Waarom voelt zij zich rot? In dit geval hebben wij een informatief gesprek gevoerd met begeleiders en ouders. Zij wilden aangifte doen. Terwijl wij geen strafbaar feit constateerden. De jongen is op een avond te ver gegaan, maar heeft niet in de gaten gehad dat hij een grens overging. Als je dat in een vroeg stadium ontdekt, dan voorkom je verdere onnodige stappen die ook belastend kunnen zijn voor de cliënten.”

Taxatiegesprek

In het addendum is veel aandacht voor het taxatiegesprek dat als doel heeft een vermoeden van seksueel misbruik te verhelderen. Dit moet zorgvuldig gebeuren, anders kan het een eventuele rechtsgang belemmeren of zelfs blokkeren.
Henk Kouwenhoven: ‘Dat is niet zomaar een gesprek, maar methodisch van opzet en het wordt geleid door iemand die daarin geschoold is. Een goede opleiding is belangrijk. Ik ben voorstander van een landelijk certificaat voor taxateurs. Ook om wildgroei te voorkomen. Er mag geen twijfel zijn over de kwaliteit van het taxatiegesprek.’
Wens van de politie en het OM is ook landelijke certificering en dat er niet te veel taxateurs komen. Yet van Mastrigt: ‘Als er te veel zijn, dan doen die ieder te weinig gesprekken per jaar om het goed te kunnen blijven doen. Onze studioverhoorders moeten minimaal tien verhoren per jaar doen om hun vaardigheden in stand te houden. Tien is voor taxateurs misschien iets te veel, maar je zou toch wel aan vijf gesprekken per jaar moeten komen.’
Het addendum adviseert te overleggen met de zedenpolitie al voordat je het taxatiegesprek gaat houden. Bij Reinaerde wordt dat altijd gedaan, zegt Henriëtte van der Aa. ‘Dat is helpend want de politie kan dan aangeven wat belangrijk is om te vragen in dat gesprek. Bijvoorbeeld over het punt of de vermoedelijke pleger had kunnen weten dat het slachtoffer het niet wilde. Of er dwang in het spel was. Dat vooral bevragen.’

Veerkracht

Het taxatiegesprek wordt altijd, met toestemming van de cliënt, audiovisueel opgenomen en indien nodig overhandigd aan de politie, staat in het addendum. ‘Dat is er echt alleen maar voor bedoeld om te kunnen beoordelen of de taxateur suggestieve vragen heeft gesteld’, zegt Van Mastrigt daarover. ‘Als de onthulling met open vragen tot stand is gekomen, dan is dat juist mooi en maakt het eventuele vervolgstappen in het justitiële traject alleen maar makkelijker. En dan wordt de belasting voor de cliënt minder.’
Henriette van der Aa: ‘Er is wel angst bij hulpverleners: wat gebeurt er met dat bandje? Komt het in handen van iemand waarvan je niet wilt dat die het te zien krijgt? Je kunt je onzekerheden daarover gewoon met de politie bespreken. En als je een suggestieve vraag hebt gesteld, laat dat dan maar zien. Als je dat niet doet, biedt dat ruimte voor speculaties. Daarmee is het belang van de cliënt ook niet gediend. Als iedereen het belang van de cliënt voorop stelt, dan kom je er altijd samen uit.’
[i]Veiligheid en veerkracht versterken[i] is niet voor niets de titel van het addendum. Van Mastrigt: ‘Veerkracht, dat is voor mij een belangrijk woord. “Barbertje moet hangen” overheerst vaak in de publieke opinie. Dat is niet het eerste doel wat wij voor ogen hebben met onze aanpak. Wel: een veilige situatie en een slachtoffer dat weer goed in zijn of haar velletje zit. Dan heb je een succesvolle interventie, ook al is de pleger niet veroordeeld.’


De belangrijkste afspraken
  • Iedere politie-eenheid heeft een contactpersoon voor zedenzaken met wie de organisatie in de  gehandicaptenzorg contact kan opnemen.
  • Bij een vermoeden van seksueel misbruik vindt altijd een persoonlijk en informatief gesprek plaats bij de zedenpolitie, zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen zeven dagen.
  • Nog voordat de organisatie besluit melding of aangifte te doen, kan zij altijd de zedenpolitie benaderen voor advies.
  • Audiovisuele opnames van taxatiegesprekken worden altijd overhandigd aan justitie als de cliënt daarvoor toestemming geeft en dit nodig is voor het onderzoek.
  • Bij onvrede of misverstanden tussen zorgorganisatie en politie of justitie, kan een zaak worden opgeschaald middels een gesprek met een leidinggevende van de vaste contactpersoon bij de politie.

> VGN.NL/ARTIKEL25201

Illustraties: Annet Scholten

Icon TwitterLinkedIn IconIcon FacebookIcon Mail