Achtergrond

‘Breng mensen volwaardig in beeld’

Lot de Swart

‘We moeten ophouden mensen paternaliserend in beeld te brengen. Beeldvorming is bepalend voor de kansen die iemand krijgt’, zegt Lot de Swart, orthopedagoog bij Estinea. Haar verslagen over mensen met een verstandelijke beperking beginnen niet met diagnosen en problemen. ‘Diagnosen zijn geen onzin; het is goed te weten waardoor iemand vastloopt, maar de positie hiervan is te prominent. We vergroten iemand uit in zijn pathologie, waardoor hij nog verder van het normale af komt te staan.’  

De eerste pijler van de ‘volwaardige beeldvorming’ die De Swart bepleit is andersoortige informatievergaring. ‘De ouderwetse manier is testen afnemen en uitwerken achter je bureau. Ik praat liever met de belangrijkste ervaringsdeskundigen, zoals ouders en begeleiders. Daarbij is het belangrijk normale taal te gebruiken, zodat je een gelijkwaardig gesprek krijgt. Een begrip als sociaal-emotioneel niveau moet je vertalen naar dagelijkse voorbeelden. Ik stel vragen als: wanneer krijg jij een glimlach van hem? Waar is hij trots op? Wat vindt hij moeilijk? Ik wil ook weten wat zijn verleden kleurt. Uit wat voor nest hij komt.' 

Meer ingangen voor oplossingen

Een completer beeld geeft ook meer ingangen om problemen op te lossen. ‘Je kunt zeker de beperking belichten, maar ook vragen: hij kan zich niet verbaal uiten, maar hoe uit hij zich wel? Hoe vraagt hij hulp? Welke vaardigheden heeft hij om zich wél staande te houden?’ De tweede pijler van volwaardige beeldvorming is de verslaglegging. ‘Dat begint bij de titel: noem je het een plaatsingsverslag – waarbij iemand een lijdend voorwerp is – of een woonadvies? Diagnostisch verslag of beeldvormend verslag? En mijn eerste pagina gaat nooit over iemands beperking, maar over wie hij is.’ Hoe concreter het verslag, hoe bruikbaarder voor de praktijk.  

Containerbegrippen

‘Wij orthopedagogen gebruiken veel containerbegrippen: “Hij heeft nabijheid nodig.” Maar nabijheid heeft iederéén nodig. Wat betekent dat voor déze persoon, in de dagelijkse praktijk?’ Als voorbeeld noemt De Swart een zeer slechtziend meisje dat mensen vaak wegduwde. ‘Je zou kunnen denken: ze wil geen contact. Maar zij schrikt omdat je er opeens staat. We hebben een ritueel afgesproken: als we haar willen naderen, klikken we eerst met onze tong, daarna raken we rustig haar arm aan en gaan praten. Zo formuleer je een containerbegrip heel individueel.’ 

Trots

Ten slotte leest De Swart haar rapportages kritisch na. ‘Ik stel mezelf een aantal belangrijke vragen: gaat dit verslag over een mens of over een cliënt? Helpt dit in zijn emancipatie? En, als zijn moeder dit leest, zou ze dan trots zijn?’

Krista Kroon