Achtergrond

Penitentiaire inrichtingen: Slechts op bezoek

In gevangenissen zitten veel mensen met een licht verstandelijke beperking. Om hen een nieuwe kans te bieden in de samenleving, moeten gevangenissen, gemeenten en zorgaanbieders goed samenwerken. Een werkbezoek achter de tralies.

‘Mooie kast hè?’, zegt Benny, een 53-jarige gedetineerde. In een leegstaande cel opent hij trots de kastdeur. Maar spijtig wijst hij op het prikbord ernaast, dat er gehavend uitziet. ‘Sommige mensen kunnen er niet mee omgaan’, zegt hij. ‘Dat komt omdat het te druk is in hun hoofd.’
We zijn op een EZV-afdeling: een Extra Zorg Voorziening. Hier hoeft niemand zijn cel te delen met een ander. Benny: ‘Dat gaat snel fout. Stel je voor dat de één het warm heeft en de ander koud. Moet de verwarming dan omhoog of omlaag?’
De gevangenis die we bezoeken, is populair onder gedetineerden. In de Penitentiaire Inrichting Zuyderbos in Heerhugowaard worden zij beschouwd als mensen die meer zijn dan wat ze hebben gedaan of wat hen is overkomen. Ze hebben ook talenten. Benny laat trots het certificaat zien dat hij gisteren van Dutch Cell Dogs heeft gekregen voor het trainen van Tarzan, een zwarte hond met een brede kop. ‘We krijgen altijd van die vechthondjes’, zegt hij. ‘Op een gegeven moment willen mensen die niet meer. Wij willen ze een tweede kans geven. Maar dit is een echte Tarzan hoor! Hij kan zo hoog springen!’
Toch heeft Benny ook wel kritiek op Zuyderbos. ‘Een kilo bananen kost hier 2,56 euro, terwijl die in de supermarkt maar één euro kost. En in de gevangenis in Almere 1,50 euro!’
Een kritische kijk is hem met de paplepel ingegoten, want zijn vader was provo, net als hij nu. Bij de burgerlijke stand is hij nooit aangemeld, dat deed zijn vader niet. Inmiddels ziet hij wel de praktische voordelen van een paspoort en een burgerservicenummer. Maar een bonuskaart nooit. Als hij een uiteenzetting begint over wat de supermarkt daarmee van je te weten komt, grijpt een penitentiair inrichtingswerker subtiel in.
‘Hé Benny, de mensen krijgen trek in koffie. Wijs jij even de weg?’
‘Bij Hoevelaken linksaf’, grapt de provo.

Blog
De elf bezoekers lopen naar de keuken. De aanleiding voor dit werkbezoek is een blog dat Hans Schirmbeck, directeur van de VGN, in november schreef voor Skipr. Zes gevangenissen in Noord-Holland en Limburg hadden als proeftuin gediend om te onderzoeken of het loont om mensen met een licht verstandelijke beperking in gevangenissen. Door toepassing van het screeningsinstrument SCIL (Screener voor intelligentie en verstandelijke beperking) bleek dat er nog vaker sprake is van een vermoeden van een licht verstandelijke beperking, dan al werd aangenomen. Vroeger werd gedacht dat het ging om 15 tot 25 procent, nu gaan de percentages in de richting van de vijftig procent. Het ministerie van Veiligheid en Justitie houdt het op 35 procent, want bij wie wordt de test afgenomen? Hier in Zuyderbos zijn 22 mensen gescreend en wordt van tien van hen vermoed dat ze een licht verstandelijke beperking hebben. 
Tijdens het project werden in de gevangenissen LVB-tafels georganiseerd, waaraan onder andere medewerkers uit de gehandicaptensector deelnamen, om kennis over bejegening over te dragen aan penitentiair inrichtingswerkers. Ook werd gewerkt aan het opbouwen van regionale netwerken, die de terugkeer naar de samenleving beter moeten laten verlopen.
Nu uit de proeftuin bleek dat extra aandacht inderdaad loont, wilde Schirmbeck ook gemeenten betrekken bij de vervolgstappen. Daarom nodigde hij in zijn blog de directeur van Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Jantine Kriens, uit om samen een gevangenis te bezoeken. Zij nam de uitnodiging aan, beiden namen een of meerdere beleidsmedewerkers mee, van het ministerie van Justitie en Veiligheid schoven ook twee mensen aan en nu luistert het gezelschap naar Benny, die vindt dat mensen in gevangenissen gewoon zouden moeten werken en daarvoor betaald krijgen. Dan kunnen ze als ze op vrije voeten staan in de supermarkt gewoon afrekenen bij de kassa.

Etiketten
We zijn hier ontvangen door de directeur van de inrichting, Frans Douw. Deze vertelt dat hij zojuist toestemming heeft gekregen om alle gedetineerden te screenen. Omdat je nu eenmaal niet aan iedereen kunt zien of er sprake is van een licht verstandelijke beperking, vindt hij dat ‘toch wel handig’ om te weten. Een van zijn medewerkers vertelt dat deze mensen in de gevangenis vaker ‘rapport’ krijgen: als straf wordt hun bewegingsruimte verkleind als ze niet doen wat hen wordt gevraagd. Terwijl het best mogelijk is dat ze de vraag niet begrepen en dat niet wilden laten merken. Doordat ze niet weten hoe je een wekker zet, komen ze te laat. Douw: ‘Soms moet je iets wat vaker uitleggen. Ik vertel hen ook dat ze altijd iets mogen vragen als ze twijfelen.’
Toch heeft Douw ook weerzin tegen de ‘etikettenmachine’. Want hij wil zijn gedetineerden graag ‘als mensen’ aanspreken op wat ze kunnen, hun competenties zichtbaar maken. En hij wil graag met hen werken aan ‘herstel’, daarvoor worden daders en slachtoffers met elkaar in contact gebracht. Douw: ‘Ook intern werken we aan herstel. Als er een incident is, laten we de mensen er samen op terugkijken.’
Jantine Kriens vraagt zich af of je mensen met een licht verstandelijke beperking wel als een aparte groep moet benaderen. De doelgroep is haar niet onbekend. Als wethouder van Rotterdam, was zij zeven jaar onder andere verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning. En ook als kind maakte zij al kennis met jongeren die in de problemen waren geraakt. Haar vader was actief in stichting Pro Juventute, die actief is in de jeugdzorg. ‘Eén avond in de week kwam er iemand mee-eten’, vertelt ze.
‘En dankzij die ervaring kon u later wethouder worden’, zegt Douw geheel in de geest van zijn gedachtegoed.

Sociale omgang
De rondleiding is begonnen op de plek waar ook de gedetineerden aankomen en waar zij worden ‘gevisiteerd’. Hebben ze wapens of drugs bij zich? Is hun kleding geschikt? Zitten er bijvoorbeeld geen logo’s van motorclubs op? En daarna zijn we langs de luchtplaats naar de afdeling van Benny gelopen. Als we met hem koffie hebben gedronken, lopen we naar een gewone afdeling: een lage gang met aan weerszijden rode deuren, die iedere dag om half acht worden geopend en om vijf uur weer dichtgaan. ’s Ochtends gaan de gedetineerden werken, ’s middags sporten.
Eén van de penitentiair inrichtingswerkers vertelt over de proeftuin. ‘Bij de helft van de mensen hier ligt het IQ onder de 85’, zegt hij, ‘maar dat zegt nog niets. De sociale omgang is ook belangrijk. Om te voorkomen dat situaties uit de hand lopen, moet je soms inspelen op wat iemand zelf wil, maar in andere gevallen moet je juist structuur bieden en zeggen: nee is nee.’
Het verschil tussen het gevangeniswezen en de gehandicaptensector lijkt hier soms minder groot dan je zou verwachten. Dat gevoel bekruipt ons nog sterker op een werkafdeling, waar vier mensen schoonmaakhulpmiddelen inpakken. ‘De mensen die hier werken zijn goed gemotiveerd’, zegt de penitentiair medewerker, terwijl zij hem kunnen horen. ‘Dat moet ook wel, want we hebben opdrachtgevers als de HEMA, Albert Heijn en Plus. De mensen die daar komen willen natuurlijk kwaliteit!’ Op de afdeling werken niet meer dan vier mensen tegelijk, opdat er niet teveel ‘prikkels’ zijn. Aan het begin van de dag wordt gewerkt aan een goede sfeer - ‘Hoe ging het met je hond?’ – en er wordt verteld dat het niet allemaal heel snel hoeft te gaan.
In de tuin en de kas, die we daarna bezoeken, maken we weer kennis met een activiteit die goed aansluit bij de filosofie van deze penitentiaire inrichting. ‘De groenten die we hier verbouwen, gaan – zodra ze kunnen worden geoogst – naar de voedselbank’, vertelt directeur Douw. ‘Dat hebben de mensen hier zelf voorgesteld!’

De transformatie
Tijdens een bezoek aan de reïntegratie-afdeling waar gedetineerden met hun casemanagers aan hun toekomst werken, komt de aansluiting met de gemeenten aan de orde. ‘Het zou normaal moeten zijn dat er een overgang is naar het gewone leven’, zegt Kriens. Helaas is dat, volgens de medewerkers van Zuyderbos, niet altijd het geval. ‘Wij doen ons ding, de reclassering doet zijn ding en de gemeente doet zijn ding, maar niet altijd in verbinding met elkaar’, zegt één van hen. Om daar iets aan te doen, biedt de gevangenis nu aan nazorgmedewerkers van de gemeenten de mogelijkheid om hier spreekuur komen houden. Zo worden de ketenpartners naar binnen gehaald. ‘Dat is mooi’, zegt Kriens, ‘want we kunnen de samenwerking nu opnieuw vormgeven. Dat is de transformatie.’
Ze vraagt zich wel af in hoeverre je recidive kunt voorkomen. Wordt dat onderzocht? ‘Wij hebben een laag recidivecijfer van 14 procent’, zegt Douw, ‘maar het is heel moeilijk om dat terug te voeren op specifiek beleid. Er zijn zoveel factoren die een rol kunnen spelen.’ Om die reden is Kriens voorstander van kwalitatief onderzoek. Ze noemt een onderzoek waaruit blijkt dat een investering van één euro in de zorg, leidt tot 2,25 euro besparing bij schadeverzekeraars en politie en justitie.

Jachthaven
Het zal niet eenvoudig zijn om alle gemeenten waar de gedetineerden vandaan komen en weer naar terug gaan, naar binnen te halen. Want de meeste gedetineerden worden niet in hun eigen regio geplaatst. Er wordt gekeken waar een plek vrij is, die om kosten te besparen zo snel mogelijk moet worden opgevuld. Ga dan maar eens als gemeente op bezoek bij alle inwoners die ergens een straf uitzitten, om te praten over hun toekomst.
Kriens: ‘Hier zijn efficiency en effectiviteit met elkaar in strijd.’ Aandacht vragen voor dit probleem blijkt een gezamenlijk belang. ‘Wij kunnen wel wat bondgenoten gebruikt, zegt een VNG-medewerker. Ook besluiten de aanwezigen op voorstel van Hans Schirmbeck om samen een agenda op te stellen om de situatie van mensen met een licht verstandelijke beperking die in detentie raken te verbeteren.
En Benny? Die wil straks via nazorgorganisatie Exodus weer gaan deelnemen aan de samenleving, om uiteindelijk weer motoren te gaan repareren in de jachthaven waar hij vroeger al werkte. Maar dan wel als burger met een paspoort en een burgerservicenumer. Het aanvragen daarvan vanuit de gevangenis is niet eenvoudig, want als nieuwe Nederlander moet je je neus komen laten zien, maar er wordt aan gewerkt. Een medewerker zegt hem: ‘Laten we het zo zeggen, Benny, de molens draaien wel, maar er staat weinig wind.’