Als mensen met een licht verstandelijke beperking slachtoffer worden van een misdrijf, is het vaak moeilijker om aangifte te doen bij de politie of schade te verhalen, dan voor anderen. Terwijl zij wel vaker slachtoffer worden. Hun begeleiders kunnen – samen met andere partijen – helpen om een beroep te doen op hun rechten. 

Mensen met een licht verstandelijke beperking (lvb) lopen een hoger risico om slachtoffer te worden van criminaliteit. De schattingen variëren per onderzoek en soort delict, maar duidelijk is dat het ook vaak gaat om zwaardere delicten. Ook worden ze vaker opnieuw slachtoffer. Mensen met een licht verstandelijke beperking zijn dus kwetsbaarder om bijvoorbeeld bestolen te worden, maar ook om seksueel misbruikt te worden. Tegelijkertijd is het voor hen vaak moeilijker om een beroep te doen op rechten zoals het doen van aangifte of het verhalen van schade. Daardoor lopen ze ook meer risico op secundaire victimisatie: verergering van hun leed of schade door bijvoorbeeld de manier waarop wordt gereageerd op wat hen is overkomen.
In opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecenrtum (WODC) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, onderzochten wij hoe slachtoffers met een licht verstandelijke beperking ondersteund kunnen worden bij het doen van een beroep op hun rechten, en beschermd kunnen worden tegen secundaire victimisatie. Daarvoor gingen we eerst de literatuur na over problemen die slachtoffers met een licht verstandelijke beperking kunnen ondervinden. Daarna namen we 39 interviews af bij 45 mensen: 35 professionals werkzaam bij onder andere politie, justitie, slachtofferhulp, of als advocaat werden gevraagd naar ervaringen met deze doelgroep. Over de hier geïdentificeerde knelpunten werden tien lvb-deskundigen, waaronder een ervaringsdeskundige, bevraagd. Beide groepen respondenten deden ook suggesties voor mogelijke oplossingen. Het uiteindelijke onderzoeksrapport beschrijft de geïdentificeerde knelpunten en geeft mogelijke oplossingsrichtingen, geïllustreerd met voorbeelden uit de praktijk.

Een akkefietje
Literatuur laat zien dat wanneer mensen met een licht verstandelijke beperking slachtoffer worden, dit niet altijd herkend of erkend wordt. Soms komt dit doordat het slachtoffer zich er zelf niet van bewust is dat het een delict betrof, maar ook de omgeving speelt een rol. Zo kunnen slachtoffers in reactie op wat hun is overkomen veranderd, of moeilijk gedrag laten zien, dat niet herkend wordt als een reactie op trauma.
Ook de manier waarop een voorval benoemd wordt kan invloed hebben. Zo klinkt een ‘akkefietje’ minder erg dan een ‘vechtpartij’. En als het slachtoffer in de ogen van anderen onverstandig gedrag heeft getoond, kan bijvoorbeeld gedacht worden dat hij of zij zelf een aandeel had in het gebeurde waardoor hij minder als slachtoffer wordt gezien.
Ook factoren als ongeloof en vooronderstellingen over het slachtoffer spelen een rol. Als bijvoorbeeld zowel de dader als het slachtoffer een lvb hebben, zou je een situatie dan anders interpreteren dan wanneer een van de twee, of geen van beiden een lvb heeft? Al dit soort aspecten kan van invloed zijn op de manier waarop er met de situatie en het slachtoffer wordt omgegaan. Dit kan spelen bij bijvoorbeeld zorginstellingen, politie en justitie.
Onze respondenten gaven verschillende voorbeelden. Zo vertelde een advocaat dat de schadevergoeding voor zijn cliënte met een lvb lager uitviel omdat zij als ‘toch al niet zo jofel’ werd gezien. En er werd een situatie beschreven waarin zowel een slachtoffer van verkrachting als de verdachte een verstandelijke beperking had en het voorval als ‘drie minuten piemelen’ werd benoemd. Het is belangrijk dat werkers in de gehandicaptenzorg alert zijn op dergelijke processen, zowel bij zichzelf als bij anderen, om zo de herkenning en erkenning van slachtofferschap bij mensen met een lvb te bevorderen.

Aangifte doen
Soms worden slachtoffers met een lvb ontmoedigd om aangifte te doen. Bijvoorbeeld doordat gedacht wordt dat ze toch geen goede verklaring kunnen afleggen of dat een aangifte geen zin heeft, maar ook vanuit de bedoeling hen te beschermen tegen een te zwaar traject. Deze opvattingen zijn echter niet per definitie waar en zouden per slachtoffer, met het slachtoffer zelf, afgewogen moeten worden. Soms is aanmoediging juist op zijn plaats, bijvoorbeeld als het slachtoffer de stap naar politie niet durft te zetten vanwege eerdere ervaringen of een verkeerde inschatting van de mogelijkheden.
Mensen met een lvb hebben ook niet altijd voldoende kennis over wat politie voor hen kan betekenen, daarom is het van extra belang is dat ze worden voorgelicht en ondersteund bij de afweging om aangifte te doen. Aandacht voor kennis over de rol van politie is ook om andere redenen belangrijk: het werd duidelijk dat mensen met een lvb de politie soms herhaaldelijk bellen over zaken waarbij de politie niet betrokken hoeft te worden. Hierdoor kan iemand te boek komen te staan als frequente beller, waardoor hij of zij bij een volgend contact al bij voorbaat minder serieus wordt genomen. In deze situaties lijken samenwerkingsverbanden tussen instellingen en wijkagenten helpend te zijn, doordat de verschillende partijen elkaar kennen.

Drempels
Daarnaast is het belangrijk dat begeleiders zich er bewust van zijn dat hun cliënt bij politie tegen drempels kan aanlopen. Naast de genoemde mogelijke vooronderstellingen werd duidelijk dat bij politie, justitie en slachtofferhulp niet structureel gelet wordt op de aanwezigheid van een lvb. Ook is er onvoldoende kennis van- en begrip voor- de gevolgen van een lvb. Bij zware zaken zoals seksueel misbruik worden slachtoffers in principe gehoord door gespecialiseerde rechercheurs met kennis van een lvb maar bij lichtere delicten gebeurt dit meestal niet.
Dit alles kan invloed hebben op de bejegening van een slachtoffer, en op diens keuzes. Het niet herkennen van een lvb kan bijvoorbeeld leiden tot een verkeerde inschatting van vertoond gedrag en ertoe leiden dat een aangifte niet wordt opgenomen. Zo vertelde een lvb-deskundige over een cliënt die aangifte ging doen op het politiebureau maar daar erg boos was en met dingen gooide. Hij zei: ‘Bij wijze van spreken wordt hij in een cel gegooid omdat hij zich zo agressief opstelt. Terwijl hij gewoon uit frustratie niet weet hoe hij adequaat zijn verhaal zo moet doen, dat er een aangifte wordt gedaan... En dan denkt de cliënt ook: “Ja, hallo ik ben het slachtoffer, en dan gaan jullie me vastzetten alsof ik de dader ben… weet je wat? Ik zeg niets meer en dan ben ik hier weg na een paar uur.”’

Aanwezigheid
Wanneer bekend is dat een slachtoffer een lvb heeft, dan kan - al dan niet terecht - gedacht worden dat hij of zij niet alleen aangifte kan doen. In de praktijk wordt dit niet altijd nagegaan. Aanwezigheid van de begeleider bij aangifte kan problemen met zich meebrengen voor zowel het slachtoffer als de begeleider. Het beperkt de privacy van het slachtoffer, maar veronderstelt bijvoorbeeld ook dat de begeleider precies weet wat er gebeurd is, of hoe de cliënt tot een betrouwbare verklaring kan komen. Wanneer de verdachte binnen dezelfde instelling verblijft kan de begeleider belangenverstrengeling ervaren. Een verscheidenheid van redenen maakt zo dat ondersteuning tijdens een aangifte door een begeleider niet altijd mogelijk of wenselijk is. We zagen dat dit er soms toe kan leiden dat er geen aangifte wordt opgenomen; bijvoorbeeld als politie die aanwezigheid als voorwaarde stelt voor het doen van aangifte terwijl dit praktisch niet realiseerbaar blijkt.

Slachtofferhulp
Als begeleider is het dus belangrijk te overwegen welke rol je kunt en wilt spelen. Er zijn ook andere mogelijkheden tot ondersteuning van slachtoffers. Zo kunnen alle slachtoffers voor advies en ondersteuning terecht bij Slachtofferhulp. Dat er door slachtoffers met een lvb vaak geen gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid ligt deels aan de manier waarop het hulpaanbod wordt gedaan. In de praktijk blijkt dat het ook kan komen doordat zowel slachtoffers met een lvb als hun begeleiders denken dat de hulp geen meerwaarde heeft boven al aanwezige ondersteuning. Hiermee wordt echter voorbijgegaan aan het belang van de specifieke toegepaste kennis van Slachtofferhulp. Een voorbeeld: de manier waarop politie en justitie communiceren is niet goed afgestemd op mensen met een lvb en er wordt regelmatig een mate van initiatief en assertiviteit verwacht van slachtoffers die niet altijd mogelijk is voor mensen met een lvb. Denk bijvoorbeeld aan het moeten aanleveren van bewijs in de vorm van een medische verklaring of foto’s, maar ook aan brieven waarop binnen twee weken schriftelijk gereageerd moet worden. Te laat, niet, of onvolledig reageren kan grote invloed hebben op de toegang tot slachtofferrechten. Het aannemen van ondersteuning door  Slachtofferhulp, of ten minste het inwinnen van advies, kan dan ook voor betere toepassing van die rechten zorgen.

Autonomie
Een laatste aandachtspunt is de autonomie van slachtoffers met een lvb. Deze wordt niet altijd herkend, erkend of bewaakt door de verschillende betrokken partijen. Naast het voorbeeld van aanwezigheid van een begeleider als voorwaarde bij het doen van aangifte, bleek bijvoorbeeld dat er soms met derden wordt gecommuniceerd over het slachtoffer zonder diens expliciete toestemming. Andersom wordt informatie over een zaak soms door contactpersonen niet doorgegeven aan het slachtoffer, bijvoorbeeld vanuit de wens hem of haar te beschermen. Duidelijk werd dat het respecteren van autonomie op gespannen voet kan staan met andere doelen zoals ondersteuning en bescherming - een lvb-deskundige noemde het schipperen tussen twee uitersten. Toch mogen deze dilemma’s niet tot gevolg hebben dat slachtoffers met een lvb moeilijker of geen beroep kunnen doen op hun rechten, of leiden tot secundaire victimisatie. Als werker in de zorg kun je hierin een grote rol spelen.

Samenwerking
Voor begeleiders is het belangrijk alert te blijven of cliënten slachtoffer worden. Het is belangrijk dat cliënten de weg naar politie kunnen vinden, een beroep kunnen doen op hun rechten en er moet gewaakt worden voor secundaire victimisatie. Dit lukt vaak niet zonder ondersteuning. Samenwerking tussen zorginstellingen, politie en slachtofferhulp is hierbij van groot belang. Slachtofferhulp kan cliënten ondersteuning geven bij de overweging aangifte te doen en het uitoefenen van andere rechten. Zorginstellingen kunnen betrokken partijen als politie voorzien van noodzakelijke kennis over de implicaties van een lvb. Per situatie moet - met oog voor de privacy en autonomie van het slachtoffer - met zowel politie als de cliënt worden overlegd welke rol de begeleiding wil en kan vervullen en welke alternatieve mogelijkheden voor ondersteuning er zijn. 

illustratie: Sylvia Weve