Achtergrond

Suïcidepreventie bij mensen met een lvb: Praat erover

Mensen met een licht verstandelijke beperking lijken kwetsbaarder te zijn voor suïcide. 'Het onderwerp is omgeven door spanning, gevoelens van angst en soms zelfs van schuld’, zegt Teunis van den Hazel, klinisch psycholoog en psychotherapeut bij Trajectum. Zijn advies: Praat erover. ‘Het liefst meteen als cliënten binnenkomen in een organisatie. Vraag wat hun ervaringen met de dood zijn.’

Suicidepreventie
Illustratie: Sylvia Weve

Niet praten versterkt de eenzaamheid

Suïcide, daar hebben de meeste mensen het liever niet over. ‘Het onderwerp is omgeven door spanning, gevoelens van angst en soms zelfs van schuld. We zijn bang dat we een suïcide in de hand werken door erover te praten’, zegt Teunis van den Hazel, klinisch psycholoog en psychotherapeut bij Trajectum. ‘Terwijl het omgekeerde waar is: over de dood praten leidt niet tot een toename van dit-leven-niet-meer-willen. Er niet over spreken juist wel, want dat versterkt de eenzaamheid.’ Van den Hazel verdiept zich in suïcidepreventie bij mensen met een licht verstandelijke beperking (lvb), om het onderwerp landelijk op de agenda te krijgen. Hij doet er onderzoek naar, behandelt cliënten en ondersteunt begeleiders en teams. 

Verband tussen lvb en risico op suïcide

Van den Hazel: ‘Er lijkt wel degelijk een verband te zijn tussen het hebben van een lvb en het risico op suïcide. Mensen met een lvb hebben meer moeite met het oplossen van problemen, komen minder tot zelfreflectie en vinden het communiceren over gedachten en gevoelens moelijker, bijvoorbeeld over eenzaamheid die ze ervaren. Bovendien hebben ze vaker traumatiserende ervaringen gehad, zoals verwaarlozing of mishandeling, of groeien ze op in belastende omstandigheden door bijvoorbeeld armoede, ziekte of een beperking bij één van de ouders. Dat ze soms een beperkte controle over hun impulsen hebben, speelt mogelijk een rol in de gepleegde suïcides.’   

Niemand weet het 

Hoe vaak suïcide voorkomt bij mensen met een licht verstandelijke beperking is opmerkelijk genoeg niet bekend. ‘Het CBS, de inspectie, 113 Zelfmoordpreventie, niemand kan je er iets over zeggen. We weten hoeveel mensen een suïcide pleegden, we kennen hun geslacht en woonplaats. Maar we weten niet welke beperkingen, problemen of stoornissen ze hadden. Dat heeft ook te maken met hoe we aankijken tegen mensen met een beperking. Mensen met een lager IQ zouden de vragenlijsten in onderzoeken niet snappen. En we moeten hen vooral niet van streek maken of op ideeën brengen.’  

Suïcide is ook een contact- en zingevingskwestie

Volgens Van den Hazel moeten we suïcidale gedachten niet alleen zien als een symptoom van een psychiatrische ziekte zoals een depressie, maar ook als een werkelijke beleving van het hier en nu. Die gedachten en gevoelens zijn het terrein van de psycholoog, orthopedagoog, de geestelijk verzorger én de begeleider. ‘Suïcide is ook een contact- en zingevingskwestie. Als mensen denken aan dit-leven-niet -meer-willen, voelen ze zich vaak niet verbonden met anderen, ze hebben het gevoel dat ze anderen tot last zijn, en zien geen uitweg.  

Geïnstitutionaliseerd onthechten 

‘Het feit dat je begeleiding krijgt, kan een risicofactor op zich zijn. Laatst sprak ik een man die tussen zijn 18e en 27e jaar op zeventien plekken heeft gewoond. Hoeveel begeleiders heeft zo’n man wel niet gehad? Je krijgt een vorm van geïnstitutionaliseerd onthechten. Cliënten vertellen me over hun ervaring zich mislukt te voelen, zeker in vergelijking met hun broer die in een mooie Audi rijdt, of hun zus die zwanger is. Dit zijn échte verhalen van eenzaamheid, verdriet en levenspijn.’    

Werken aan verbetering 

Pluryn heeft ervaring met dit onderwerp. Een aantal jaar geleden kreeg de organisatie binnen relatief korte tijd op verschillende locaties te maken met een suïcide. Ze werd door de inspectie op de vingers getikt omdat ze de verbeterpunten van de ene locatie onvoldoende had toegepast bij de andere. Lieke van Domburgh was destijds directeur Kwaliteit bij Pluryn. ‘Het was heel goed dat de inspectie ons daarop wees. Er waren suïcides en we leerden daar te weinig van. We waren een fusieorganisatie, de ene locatie wist vaak niet van de andere wat er gebeurde. De raad van bestuur heeft vervolgens besloten dit als een crisis te zien en een verbetertraject te starten. Niet voor de bühne, maar echt.’ 

Weten mensen wat ze moeten doen?

Van Domburgh gaf het traject mede vorm. ‘We zijn heel consequent gaan uitdenken: wat is onze visie? Welke kennis en richtlijnen zijn er? Weten mensen wat ze moeten doen, en kunnen ze dat ook? Steunen we hen voldoende en hebben we hier een open houding over?’ Om slagen te maken, betrok Pluryn 113 Zelfmoordpreventie erbij. Bovendien sloot ze aan bij landelijke netwerken en bewegingen. Zo werd haar aanpak best practice in het actieplan Betere zorg voor kwetsbare jeugd, dat weer werd aangejaagd door StroomOP, een netwerk van jeugdhulp- en onderwijsprofessionals waarin gewerkt wordt aan bijvoorbeeld gezamenlijke richtlijnen en scholing op het gebied van suïcidepreventie.   

Alleen samen kan het 

Van Domburgh: ‘Dat samen optrekken is essentieel. Jeugd, gehandicaptenzorg en GGZ zijn van elkaar afhankelijk. Als de GGZ residentiële capaciteit afbouwt, zien wij die jongeren terug bij ons. Het is belangrijk dat we kennis en ervaringen blijven uitwisselen.’ Bovendien is er een enorme behoefte aan handvatten, volgens Van Domburgh. ‘Behandelaren en begeleiders voelen zich onthand. Zij willen goed toegerust worden om hun werk te kunnen doen. Logisch ook. De kunst is om dat landelijk goed te organiseren. Zodat je niet allemaal het wiel gaat zitten uitvinden. En zodat je samen antwoorden formuleert op vragen als: hoe vind je balans tussen in contact zijn enerzijds en veiligheid en controle anderzijds? De opgave is om met elkaar over suïcidepreventie te blijven praten. Over het verdragen van risico’s bijvoorbeeld. In dat soort gesprekken ontdek je dat ontzettend veel mensen ergens in hun omgeving een ervaring met suïcide hebben. Wat betekent dat voor je? En voor je werk? Vergis je niet, het is vreselijk als je de deur van een kamer opendoet en iemand vindt, en daarna altijd bang bent hoe je andere cliënten zult aantreffen. Daarover praten is wezenlijk om verder te komen.’ 

Veilige organisatie 

Dat onderschrijft Van den Hazel: ‘Het belangrijkste advies is: praat met elkaar en praat met cliënten. Het liefst meteen als cliënten binnenkomen in een organisatie. Over nare ervaringen waar je veel aan moet denken, en over de waarde van het leven. Vraag wat hun ervaringen met de dood zijn. Bij mensen die eerder geconfronteerd zijn met suïcide moet je extra alert zijn, het is een voorspeller van een hoger risico.’ Zo help je om een veilige organisatie te zijn, met een fijne sfeer en cultuur. Waar cliënten niet kiezen voor de dood, maar voor het gesprek.’ 

Meer informatie

Dit artikel is verschenen in Markant, editie 4 2021. De volledige Markant leest u hier. Journalist Rieke Veurink sprak ook met Van den Hazel over hoe je een gesprek voert over suïcidepreventie en wat het belang van een veiligheidsplan is. Dat leest u in dit artikel.

Praten over zelfmoordgedachten kan anoniem: chat via www.113.nl, bel 113 of bel gratis 0800-0113.

Rieke Veurink