Achtergrond

De kracht van wederkerigheid

Hoe kunnen begeleiders hun beroep ook na de transities succesvol uitoefenen? Die vraag wordt gesteld op de Kennismarkt 2015, die op 6 maart in Den Bosch wordt gehouden. We stellen hem alvast aan een aantal deskundigen en portretteren drie begeleiders die al klaar staan voor de toekomst.

Inzicht. Daar begint het allemaal mee, voor de begeleider van de toekomst, stelt ontwikkelaar, auteur en onderzoeker Gitty Scholten. ‘Het bestaan van mensen is de afgelopen vijftig jaar enorm veranderd. Mijn moeder liet haar leven nog bepalen door de dokter en de dominee. Dat doen we nu allang niet meer. We laten ons niks meer voorschrijven. Die transformatie heeft overal in de maatschappij plaatsgevonden, behalve in de zorg en het onderwijs.’
Het zijn dus niet de bezuinigingen die de veranderingen veroorzaken, maar ontwikkelingen in de maatschappij. ‘We hebben sinds de jaren tachtig al beleidsstukken op de plank liggen over familie meer betrekken’, zegt Jeroen Schumacher van Vilans. ‘Het financiële frame van de overheid dwingt ons nu om echt door te pakken. En dat is goed.’
Dat doorpakken betekent: meer doen met minder geld, door te kijken naar wat mensen zelf kunnen, met hulp van hun omgeving en vrijwilligers. En dat ook nog eens in een veranderend zorglandschap waar door groeiende wetenschappelijke kennis en technologische ontwikkelingen veel meer mogelijk is.
De grootste verandering die de begeleider daarvoor moet maken, is die van sturende dienstverlener naar iemand die werkt vanuit wederkerigheid. En de tweede is die van relatief solistisch opererende ondersteuner naar de coördinator van een netwerk aan familie, vrijwilligers en bijvoorbeeld gemeenteambtenaren.

Loslaten
Laten we bij de eerste verandering beginnen. Scholten: ‘Je moet niet meer als deskundige voorovergebogen naar je cliënt kijken, maar zakken.’ Dat is geen kleinigheid. Martine Noordegraaf, lector Jeugd en Gezin aan de Christelijke Hogeschool Ede: ‘We hebben studenten altijd opgeleid met het idee: jij hebt ergens verstand van. Nu moeten ze die expertise een beetje loslaten. Het gaat straks niet om de vraag wat jij een goede opvoeding vindt, maar of je kunt zeggen: dit is voldoende om veilig te zijn.’
Die omslag begint bij de begeleider zelf. Scholten: ‘Luister eerst eens naar je eigen innerlijk. Hoe staat het met jouw leven? Hoe kom jij in jouw kracht? Pas daarna kun je anderen ook in hun kracht zetten.’ Schumacher: ‘Eigenlijk is de verandering heel mindful: het gebeurt allemaal in het hier en nu, in het contact van mens tot mens. Van begeleider tot cliënt en familie. Dat maakt het aards en behapbaar.’
En dan de tweede grote verandering: de begeleider moet allerlei andere mensen toelaten. Jacques Devilee, manager Personeel, Organisatie en Opleidingen bij Gemiva-SVG: ‘Voorheen was er op elke groep in een dagbestedingslocatie één begeleider. Dat worden straks tien groepen met in totaal twee begeleiders. De rest zijn stagiairs en vrijwilligers.’

Vertrouwen
Goed kunnen werken met niet-professionals begint met een andere basishouding. Noordegraaf: ‘Begeleiders moeten de tijd durven nemen om een netwerk in kaart te brengen, en ook op zo’n netwerk durven vertrouwen.’ 
Daarna komt ook nog een hele rits praktische vaardigheden. Goed kunnen plannen is er zo eentje. Devilee. ‘Veel beroepskrachten staan de hele dag op de groep. Straks komen er allerlei externe afspraken bij. En daar moeten ook nog eens verslagen van gemaakt worden.’ Goed kunnen beoordelen en schakelen zijn net zo belangrijk. Noordegraaf: ‘Dat je een stap terug doet, betekent niet dat je uit beeld bent. Want er is een risico dat problemen zich ongezien opstapelen. Je moet dus heel scherp blijven op wat er gebeurt. Netwerken hebben bovendien vaak een sleutelfiguur nodig om het vol te houden. Iemand die nog eens vraagt: kun jij dit of dat doen? Of die het netwerk voorlichting geeft over bijvoorbeeld omgaan met een licht verstandelijke beperking.’

Eigenaarschap
Grote gemene deler van al die vaardigheden is dat begeleiders ze zélf voortdurend bijhouden. Hans Timmerman van de VGN: ‘Je moet continu volgens de state-of-the-art blijven werken. Dat faciliteren we ook met het Kennisplein, waar mensen alle informatie direct kunnen vinden. Daarnaast voeren we samen met het onderwijs allerlei veranderingen door in de opleidingen. Het is niet meer: alleen de theorie op school en de praktijk in het werkveld. Goed onderwijs maak je samen. We stappen verder af van een standaardopleiding voor iedereen. Het gaat erom dat jíj goed toegerust bent voor je werk en je blijft ontwikkelen. En dus hebben we bijvoorbeeld het mbo flexibeler gemaakt door het ontwikkelen van keuzedelen. We kunnen ze elke drie maanden aanpassen aan wat er nodig is, inclusief stempel van de minister. Als VGN beschrijven we samen met alle betrokkenen hoe de praktijk er uitziet en wat ervoor nodig is. Al die ontwikkelingen krijgen ook een plekje in de competentiebox.’

‘Mijn netwerk’
Want laten we wel wezen: in de praktijk gebeuren nu al mooie dingen. Zo is de afdeling Sociaal Maatschappelijke Studies op het ROC Koning Willem I College ook een dagbestedingslocatie voor cliënten met een matige tot ernstige beperking van Cello. Afdelingsdirecteur Els van Genugten: ‘Als studenten bijvoorbeeld verpleegkundige handelingen gaan oefenen, zoals het omdoen van een mitella, dan “helpen” de cliënten, de studenten. Zo maken studenten kennis met de doelgroep en dat neemt huiver weg. Bovendien zijn studenten én cliënten trots als zo’n handeling lukt.’
Philadelphia ontwikkelt Wmo-ondersteuning volgens het concept ‘Mijn netwerk’. Een onderdeel daarvan is DigiContact, een vorm van beeldbellen, die altijd beschikbaar is. Dat wordt slim gecombineerd met ontmoetingsplaatsen in de wijk, cursussen voor cliënten en ambulante begeleiding bij de cliënt thuis. Senior beleidsmedewerker Jeroen Zomerplaag: ‘Ambulante begeleiders leren dus geen vaardigheden aan cliënten, daar zijn de cursussen voor. En als iemand ergens tegenop ziet, hebben we gewoon even contact via DigiContact op de momenten dat een cliënt dat wil. Door zo te verbinden, krijgt iedereen wat hij nodig heeft.’

Werkend leren
Terug naar de begeleider van de toekomst. Die staat er niet van de een op de andere dag. Jacques Devilee: ‘Gemeenten hebben ons gelukkig een jaar de tijd gegeven om deze transformatie te doorlopen, die tijd moeten we dan ook wel benutten.’ Jeroen Schumacher: ‘Dat betekent steeds als team leren en werkend leren: wat bevordert en belemmert ons doel en hoe kunnen we dat veranderen?’ 

‘Geboren met de Participatiewet’
Khadija Hamzaoui is ambulant begeleider bij Amarant. Ze ondersteunt ouders, jongeren en kinderen met een verstandelijke beperking en soms psychiatrische problemen.
‘We hebben bij onze organisatie een cursus Wmo gedaan. Daarbij keken we hoe we omgaan met de transitie. Maar eigenlijk deden we het allemaal al. Wij zijn altijd al bezig geweest met het netwerk van mensen. Dat doen we het liefst op een informele, niet-betuttelende manier. We vragen: wie is je buurman, en is dat je vriend? Doen jullie wel eens leuke dingen samen? Pas als dat niet gaat, maken we het formeler. We moeten daar nu wel bewuster mee omgaan. Vooral naar de gemeenten toe. Die moeten heel goed weten wat onze inzet is in een stukje van de wijk.
Ik ben zelf van Marokkaanse afkomst. Wij zijn geboren met de Participatiewet: een poets- of kraamhulp hebben we niet, dat doet de buurvrouw of familie. Vandaar misschien dat ik wel relaxed in de transitie sta. De noodzaak is de moeder van de uitvinding. En er kunnen mooie dingen uitkomen.
Ik vind wel dat er een plan B moet zijn, en daar denkt de politiek nog te weinig over na. Een netwerk kan niet alles doen, je hebt nu eenmaal ook mensen met verstand van autisme of van een licht verstandelijke beperking nodig. Juist als je het aan de buitenkant niet kunt zien. Dan zijn mensen uit de buurt geneigd te denken: ‘Da’s een mooie meid, daar kan toch niks mee zijn?’ Dan moeten wij begrip kweken en voorlichting en tips geven.’

‘Mee in de digitaliserende wereld’
Eric Elties is e-health arrangeur bij Pameijer en houdt zich vooral bezig met technologie en implementatie.
‘Bij Pameijer zijn we al jaren bezig met de inzet van digitale middelen. Van het beeldhorloge tot het Ik Boekje en verschillende e-learning programma’s. Nu ontwikkelen we samen met Wortell op een Microsoft platform een digitale ondersteuningsomgeving waar we alles in samenhang en op maat voor klanten kunnen onderbrengen. Een lijst met contacten bijvoorbeeld, een overzicht van de wijk, mailfuncties, vacatures, Skype, een navigatiefunctie. Daar gaat de klant mee werken en daar ondersteunen wij hem bij. Voor de hardware zoeken we naar goede betaalbare apparaten die de klant over kan nemen aan het einde van de dienstverlening. Zo kan hij na de dienstverlening nog steeds mee in de digitaliserende wereld. Dat is één van de dingen waar het vroeger mis ging: als een cliënt bij ons vertrok, kon hij ook zijn computer of telefoon – en daarmee zijn zelfstandigheid of eigen regie - weer inleveren. 
Wij geloven dat digitale ondersteuning de toekomst heeft. Beeldbellen is bijvoorbeeld heel effectief als iemand regelmatig kortdurende ondersteuning nodig heeft. 
Implementeren is wel het allerbelangrijkste als het over digitale ondersteuning gaat. Het dingetje zelf, de software en de hardware zijn dertig procent van het succes. De rest is implementatie. En dat wordt veel te vaak overgeslagen. Dan wordt er iets bedacht waar mensen vervolgens niet mee kunnen of willen werken. Een aantal jaren geleden bijvoorbeeld kregen onze begeleiders laptops om klanten te ondersteunen met beeldbellen. Met name op de Zuid-Hollandse eilanden was nauwelijks mobiel internetbereik, waardoor de laptops niet gebruikt konden worden. Dit gaat nu allemaal veel beter. Maar ook wij hebben nog een hele weg te gaan.’

‘Wij zijn maar passanten’
Anita van den Oetelaar werkt als persoonlijk begeleider bij Cello. Samen met haar collega Daniëlle van den Heuvel zette ze het project Bruggetjes Bouwen op.
Ruim twee jaar geleden hebben we gekeken naar het thema vrije tijd. Wat kunnen we doen rond het netwerk van cliënten? Daar rolde Bruggetjes Bouwen uit. De kern was dat we keken wat onze cliënten kunnen betekenen voor de buurt, dus voor een ander. We hebben niet gedacht vanuit de beperkingen, maar vanuit de talenten. We organiseerden een talentenmarkt waar elke cliënt zijn eigen kraampje had. De één kan bijvoorbeeld heel goed uitzoeken hoe je moet reizen met het openbaar vervoer en de ander kan een fijn tuinmaatje zijn. Cliënten werden zich bewust van hun talent, leunden dus niet achterover, maar gingen zelf actief werven. En dat is echt een verschil met vroeger.
Inmiddels doen onze cliënten op achttien plekken vrijwilligerswerk, in het verpleeghuis, bij de kinderboerderij, de voetbalvereniging, de kringloopwinkel, noem maar op. En daar groeien prachtige een-op-een relaties en zelfs vriendschappen uit. Iemand uit de wijk die bijvoorbeeld een kerstboom mee optuigt, helpt een verjaardag organiseren, of gewoon een spelletje komt doen. 
De kunst voor ons is om dat ook zo te laten. Als iemand komt om een eindje te wandelen met een cliënt die hij goed kent, is het verleidelijk om te zeggen: neem ook even wat andere cliënten mee. Maar dat is juist de bedoeling niet. Het gaat om de individuele relatie, de kracht van de wederkerigheid. Wij zijn maar passanten in het leven van een cliënt, een netwerk helpt hen écht verder. Laatst zei ik tegen iemand die bij een cliënt op bezoek was: je hebt geen idee hoe belangrijk jij voor deze cliënt bent. Toen zei de bezoeker: en jij hebt geen idee hoe belangrijk zij voor mij is.’