Vroeger schopte Maïra de tafels overhoop en trok kasten omver. Ze krabde en beet, ook zichzelf. ASVZ pastte Triple-C toe en schakelde een dans- en haptotherapeut in. ‘Moet je haar nu zien!’

Het kleine natuurpark ligt pal achter de kerk van het Brabantse dorpje Haaren, de neogotische torenspits stijgt boven de kale berken uit. Het verse gras is dik en lang, er fladdert een citroenvlinder boven de weide, op een bloem landt een oranjetipje. Even verderop draagt Maïra Klerkx (25) de grastrimmer aan riemen om haar schouders. Ze maait buiten de omheining, de snijdraden vlak boven de grond, gras zwiept in de rondte. Waar Maïra is geweest, heeft het oranjetipje nog maar weinig te zoeken. Ze maait systematisch en geconcentreerd met licht gebogen armen steeds halve cirkels voor zich uit. De motor brult tot ver in de omgeving, twee grauwe ganzen stijgen op uit een plas. Bij de beek loopt het land steil naar beneden, Maïra maait rustig voort, ze zet zich met haar voeten schrap om niet uit te glijden. Het gesneden gras ruikt zomers.
Maïra en de vier andere cliënten van de VIC woning (Very Intensive Care van ASVZ, Zorg en dienstverlening in Zuid Holland en Brabant) hebben behalve een verstandelijke beperking ook een gedragsstoornis. Ben van Iersel is teamleider, hij leunt op een hek en kijkt rond, al zijn cliënten zijn verspreid in het park met tuingereedschap in de weer, iedereen in zijn blikveld. Ook hij had een paar jaar geleden niet kunnen voorspellen dat Maïra ooit zo zelfstandig zou kunnen functioneren. ‘Ze was boos’, zegt hij. ‘Altijd boos. Als we aan tafel zaten, gooide ze doelgericht met bestek en servies, en trapte ze de pakken yoghurt stuk op de vloer. Ze rukte de gordijnen met rail en al naar beneden, trok kasten van de muur, smeet de televisie stuk op de grond, en brak overal in huis de kranen af. Als we haar wilden kalmeren schopte, beet en krabde ze. Soms gaf ze zich pas na uren huilend en uitgeput aan ons over. Dan vroeg ze in haar eigen woorden: ‘Wanneer moet ik nu weg?’’
Bril
Maïra heeft haar trimmer inmiddels uitgeschakeld en neergelegd, ze staat voorover gebogen en wrijft in haar ogen. Ben loopt naar haar toe, Maïra wijst naar haar gezicht en vertelt wat er gebeurd is. Ze praat niet maar stoot klanken uit, met af en toe een woord van betekenis. Ben zoekt in haar oog maar ziet geen gras meer, het is er al uit. ‘Ga maar een bril halen’, zegt hij. ‘Daarachter, bij Remon.’ Hij wijst naar de geparkeerde bus waar zijn collega aan het werk is.
Maïra spoedt zich naar de bus, ze loopt niet, maar draaft, dat is een gewoonte, ze draaft altijd, een trage draf, hangende schouders, de armen zwaaien langs haar lijf. Ze komt terug met een bril, glimlacht in het voorbijgaan, en pakt bij de beek haar grastrimmer weer op. Ben helpt haar in de schouderriemen en trekt aan het startkoord van de benzinemotor. Een hels kabaal, Maïra zet haar oorbeschermers op. Ze begint weer te maaien, gebogen armen, halve cirkels voor zich uit. Op een dikke pol helmgras breekt de snijdraad af, al voor de derde keer vanmiddag. ‘[i]Oh my God[i]’, zegt Maïra, met de bijbehorende mimiek. Geen klanken dit keer, maar duidelijke taal.

Wilskracht

Brazilië 1989. Tien dagen na haar geboorte legt haar moeder haar te vondeling. Diezelfde dag nog wordt ze in een vuile handdoek overgedragen aan haar adoptieouders Martina Klerkx en Kiko Borgers, een Nederlands/Braziliaans echtpaar dat in Brazilië woont. Het babylijfje is slap, Maïra spartelt noch huilt, haar rug is rood van het liggen. Ze is te zwak voor melk uit een zuigfles, Martina en Kiko geven haar met een theelepeltje suikerwater.
Hun dochter overleeft, langzaam sterkt ze aan, maar haar ontwikkeling verloopt vertraagd. Maïra leert niet praten en vertoont tekenen van een hechtingsstoornis; uit onmacht krabt en bijt ze ook zichzelf. Tevens schuilt er in haar een ongekende wilskracht. Eenmaal gefocust op haar doel geeft Maïra zelden op. Als ze acht jaar is – ze woont nog steeds in Brazilië – wil ze per se leren fietsen, ook zonder wieltjes. Ze valt, breekt pols en duim, staat op en fietst door.

Maaimessen
‘Dit wordt niks’, zegt Ben met de kapotte snijdraad in zijn hand. ‘Vraag maar of Remon de maaimessen erop zet.’ Maïra haalt Remon erbij, hij zal de katrol met snijdraad vervangen voor een trommel met maaimessen, maar wat hij ook probeert, het lukt niet, hij krijgt de katrol niet van de grastrimmer af gedraaid. Maïra volgt zijn handelingen nauwgezet, wijst en geeft instructies, ze wil het zelf proberen.
‘Ga je gang’, zegt Remon met een uitnodigend gebaar. Maïra analyseert het mechaniek van de bevestiging, vouwt haar hand om het juiste onderdeel en draait uit alle macht, het vertrokken gezicht van iemand die een nieuwe pot jam probeert te openen. Tevergeefs. Ben kijkt op zijn horloge, het is al weer bijna tijd. ‘Opruimen en inpakken dan maar’, zegt hij. Hij roept zijn ploeg bijeen, harken, schoffels en snoeischaren worden verzameld en weer achterin de bus gelegd. Ben zet de muziek aan – YMCA – en rijdt het terrein af. De ploeg op de achterbanken zingt luidkeels mee. ‘It’s fun to stay at the YMCA.’

Knock-out
Bij thuiskomst heeft iedereen heeft zijn taak, Maïra wast de broodtrommels af. Ze stroopt haar mouwen op, het water in de afwasteil schuimt, na afloop veegt ze met een vaatdoek het aanrecht droog. Haar moeder is op bezoek, ze woont in een dorp verderop en komt elke week koffie drinken. Maïra wil eerst douchen, de medebewoners gaan boodschappen doen.
Martina en ik staan in de keuken, Martina vertelt: ‘Toen Maïra een puber werd, ging het niet meer. Ze werd te sterk. Op een ochtend sloeg ze mij knock-out op de keukenvloer. Toen heb ik besloten naar Nederland terug te keren.’ In Nederland verhuist Maïra naar verschillende woonvormen, maar nergens lukt het om grip op haar te krijgen. Totdat ze wordt overgeplaatst naar de VIC-woning met de Triple C-benadering (zie kader) en een intensief traject hapto- en danstherapie krijgt. Het blijkt de sleutel naar succes. ‘Hoe vaak ik hier huilend vandaan ben gegaan’, zegt Martina, ze schenkt de koffie in. ‘Maïra zei steeds “Quero morer” - ik wil dood. En moet je haar nu zien.’

Skypen
Maïra is klaar met douchen, ze zit in haar kamer, met schone kleren op de bank. Op de eikenhouten kast staan een paar ingelijste foto’s van Kiko, haar adoptievader die nog steeds in Brazilië woont, Kiko en Martina zijn inmiddels gescheiden. Maïra haalt een fotoboek erbij, haar vader was vorige zomer een paar weken op bezoek. We zien Kiko en Maïra op de Dam met een ijsje, gearmd voor Madame Tussaud, naast elkaar in een toeristenbus.
Deze winter zijn Maïra en Martina ook samen naar Brazilië geweest. Kiko kwam hen ophalen van het vliegveld in Sao Paulo, twee dagen rijden vanaf zijn woonplaats. Hij was jarig, ze hebben hem met eieren bekogeld en met bloem bestrooid, dat is daar traditie op verjaardagen. Daarna is Maïra met haar moeder naar kennissen in het Braziliaanse binnenland gegaan. Die waren zo blij verrast met hun komst, dat ze ter plekke een varkentje hebben geslacht en gebraden. Ja, Maïra mist haar vader soms. Maar ze skypen bijna elke zondagavond.

Danstherapie
Maïra laat haar ervaringsboek over de hapto- en danstherapie zien; met beweging, tast en affectieve aanraking zijn de gaten in gehechtheid geheeld. Ze is eindeloos lang therapeutisch gestreeld en gemasseerd, rug en schouders, buik en benen, armen en gezicht. Ze heeft leren voelen wat warm en koud is, hard en zacht, ruw en glad.
De foto’s spreken boekdelen. Er staan teksten bij van Sasja Quaadvliet, de dans- en haptotheraeut. Een foto van Maïra op een matras. ‘Zo’n slappe pop met bengelbenen. Mag je zijn… ga maar lekker liggen op je rug. Ik til je been op en jij laat hem weer vallen. Ja ik vang je altijd op.’
Ook foto’s van Maïra als mummie: ‘Vandaag gaan we je inpakken. Gewoon met wc papier. Jij bent de baas. En dan losbreken, zou het lukken? Met die lange slierten lijk je wel een vogel. Kun je lekker vliegen!’ Later in het traject is Maïra door Sasja ook strak ingebakerd. Ze zoekt de foto erbij en vertelt in klanken, Martina vertaalt. ‘Ik ga Ben vragen of hij het weer bij mij wil doen, strak in een laken. Gewoon op de grond, hier.’ Ze wijst naar het zeil op de vloer. ‘Zo strak als maar kan.’

Littekens
‘De therapie heeft van Maïra een ander mens gemaakt’, zegt Martina. ‘Ze is zelfs in staat om te reflecteren op het verleden. Gisteren hebben we in mijn nieuwe huis het oude behang van de muur gestoken. Daarna zaten we met z’n tweeën op de bank en spraken over vroeger, hoe boos ze toen was. Maïra begon te huilen. Dat vond ik een heel emotioneel moment. Ze herinnert zich alles.’
Maïra luistert en knikt. Ze kijkt me aan met een relativerende blik, alsof ze wil zeggen: ‘Tja, dat waren nog eens toestanden!’ Ze strekt haar arm en wijst de littekens aan, bijtsporen in haar huid, overblijfsels van alle wanhoopspogingen om controle te krijgen. Buiten schijnt de zon nog steeds. Maïra laat en passant haar skelter zien. Die staat geparkeerd op het grasveld achter de keuken. Het is een grote rode skelter, zelf betaald. Ze maakt het geldgebaar in de lucht en kijkt me veelbetekenend aan. Ze stapt erin en manoeuvreert hem achterwaarts het grasveld af. Een behendigheid die van inzicht getuigt.

Riëtte Duynstee