Achtergrond

Gert de Graaf: ‘Probeer het op een gewone school’

Kinderen met Downsyndroom leren beter lezen en schrijven een reguliere school dan in het speciaal onderwijs. Maar dat lukt alleen op scholen met een oplossingsgerichte houding. ‘Als scholen al hun energie steken in de vraag of het kind er wel thuishoort, wordt het moeilijk.’

Gert de Graaf houdt zich al jaren bezig met integratie van kinderen met Downsyndroom op reguliere scholen. Na diverse onderzoeken en projecten besloot hij er een proefschrift over te schrijven. Onlangs promoveerde hij aan de Universiteit van Gent.
Vanwaar uw interesse in dit onderwerp?
‘In 1990 kreeg ik een dochter met Downsyndroom, Mirte. Sindsdien heb ik me verdiept in onderwijs. In het begin vooral uit eigenbelang, om mijn dochter goed te begeleiden. Dat is uitgegroeid tot een beroep: ik ben pedagogiek gaan studeren en als freelancer onderzoek gaan doen, onder meer voor de Stichting Downsyndroom. In 2005 kwam ik daar in vaste dienst. Twee maanden later overleed mijn dochter, geheel onverwacht. Natuurlijk is het in mijn werk wel eens verdrietig om te denken: dat had mijn dochter kunnen zijn. Maar het werk verbindt me ook met haar.’
Ging Mirte naar een reguliere school?
‘Ja, want ik was ervan overtuigd dat ze daar meer zou leren, al kon ik dat toen nog niet staven met onderzoek. Ze heeft na de basisschool nog goede jaren gehad op de middelbare school. Ze hadden daar eerder een leerling met Down gehad. Die jongen werkte er nog. Mirte hoorde er helemaal bij.’
Intussen kunt u uw vermoeden hard maken: kinderen met Downsyndroom leren meer op een gewone school. 
'Ja, ze leren meer schoolse vaardigheden – lezen, rekenen en schrijven – dan op een speciale school. Bij lezen is dat effect het sterkst. Ik zeg erbij: dit gaat om de huidige, Nederlandse situatie, en over die gevallen waarin het lukt kinderen op de reguliere school te houden. Je hebt het dus over scholen die de noodzakelijke randvoorwaarden hebben gecreëerd.’
Wat zijn die randvoorwaarden?
‘Allereerst een oplossingsgerichte houding. Er zijn scholen die het vanzelfsprekend vinden dat een kind met Downsyndroom erbij hoort. Bij problemen kijken zij hoe ze die kunnen oplossen. Terwijl andere scholen al hun energie steken in de vraag: hoort dat kind hier wel? Op zulke scholen wordt het moeilijk, zelfs met fulltime extra begeleiding.
Je ziet dit duidelijk in de casussen die ik heb onderzocht van kinderen die dreigden uit te vallen in het regulier onderwijs. Er was een meisje dat zich in zichzelf terugtrok en niet geïnteresseerd leek in leren. De school zei: dit kind hoort op een ZMLK-school. Maar toen ze op een andere reguliere basisschool kwam, ging zij zich anders gedragen. Op die school bekeken ze hoe ze haar stapje voor stapje bij alles konden betrekken. Toen bleek dat ze gráág wilde meedoen.
De tweede bepalende factor is de samenwerking. Soms is er een slechte relatie tussen de school en de ouders, of tussen de juf en de begeleider van het kind. Dat maakt het afbreukrisico groter.’
Hoeveel kinderen met Downsyndroom doorlopen succesvol een reguliere basisschool?
‘Naar schatting start 56 procent van de kinderen met Down op een gewone school, dat zijn er zo’n 150. Van hen zit 40 procent na zeven jaar nog op school.’
Er is dus een hoog percentage afvallers.
‘Internationaal zijn de cijfers anders. In een onderzocht gebied met inclusief onderwijs in Engeland zat zelfs in het voorgezet onderwijs nog zo’n 70 procent op een gewone school. Het lage percentage in Nederland heeft te maken met de cultuur. Al is in Engeland ook de ondersteuning makkelijker te regelen. Het is daar gebruikelijk dat kinderen met Down een persoonlijke [i]non teaching assistent[i] hebben, voor minstens de helft van de tijd. Maar dan nog, er zijn in Nederland scholen die zeggen: “Als een kind veel assistentie nodig heeft, is dat geen integratie.” De norm is soms dat een kind “gewoon” wordt. Ja, dat gaat natuurlijk niet lukken.’
Hoe komt het dat kinderen op een reguliere school meer leren?
‘In het gewone onderwijs is er een vanzelfsprekende verwachting dat je een kind vanaf een bepaalde leeftijd probeert te laten lezen. In het speciaal onderwijs wil men nog wel eens wachten tot een leerling “rijp” is. Dan blijft er een korte tijd over tot het kind naar het voortgezet speciaal onderwijs gaat. En daar zeggen ze vervolgens: “Het is al geprobeerd op de basisschool, kennelijk kan dit kind niet beter.”
Daarnaast is de begeleiding in het speciaal onderwijs vaak niet intensief genoeg. Er is minder individuele begeleiding voor een kind met Down.’
Je verwacht juist intensievere aandacht in het speciaal onderwijs.
‘Op een gewone school krijgen kinderen met Downsyndroom vanaf groep 3 een dubbele “rugzak” (extra financiering voor de school, red.), vaak nog aangevuld vanuit de AWBZ. Dat maakt één-op-één-begeleiding mogelijk. In het speciaal onderwijs heb je één leraar en een klassenassistent op twaalf – soms zeer bewerkelijke – leerlingen. Kinderen werken daar in groepjes, vanuit het idee dat ze een vergelijkbaar niveau hebben. Terwijl er in feite een grote heterogeniteit is.’
Wel wrang, aangezien 60 procent van de kinderen met Downsyndroom uiteindelijk is aangewezen op speciaal onderwijs.
‘Ja, daarom vind ik ook dat speciale scholen zich op dit gebied moeten verbeteren. Ze moeten meer energie stoppen in het aanleren van lezen, schrijven en rekenen bij kinderen met Down. Men hangt te veel op aan het IQ: bij een laag IQ zijn er lage verwachtingen. Je moet juist proberen de doelen hoog te stellen en daar in kleine stapjes naartoe te werken. Als kinderen moeite hebben met betekenisloze teksten als ‘boom, roos, vis’, betekent het niet dat zij niet kunnen lezen. Je moet aansluiten bij de woorden die zij zelf gebruiken in hun spraak. Daar ligt hun interesse.’
Zou het niet beter zijn als alle kinderen naar het regulier onderwijs gaan?
‘Als daarvoor een maatschappelijk en politiek draagvlak bestond, zou ik er zeker voor zijn. Er zijn landen die hebben gekozen voor inclusief onderwijs, zoals Italië en Noorwegen. In deze landen wil men niet terug naar speciale scholen. Maar in Nederland is er geen draagvlak voor inclusief onderwijs. Hier is alleen draagvlak om integratie te proberen waar het lukt.’
Hoe belangrijk is taalvaardigheid eigenlijk voor iemand met Downsyndroom?
‘Het kan je enorm helpen om mee te doen in de samenleving. Als je je makkelijker kunt uiten, voorkomt dat gedragsproblemen. Je legt makkelijker sociale contacten. En wat lezen betreft: praat maar eens met mensen die analfabeet zijn. Het is zoveel gemakkelijker als je een boodschappenlijst kunt maken en niet alles hoeft te onthouden. Of instructies kunt lezen hoe het koffieapparaat werkt. Je kunt een e-mail sturen, en als je moeilijk verstaanbaar bent kun je opschrijven wat je wilt zeggen.
Met rekenen idem dito. Als je de getallen 1 tot en met 100 kent, kun je zelf “bus 69” vinden. Het maakt je onafhankelijker.’
Schoolgaan heeft ook een sociaal element. Hoe doen kinderen met Downsyndroom het tussen ‘gewone’ kinderen?
‘Ik heb het sociale aspect van regulier onderwijs niet onderzocht in Nederland, maar in internationaal onderzoek variëren de gevonden effecten van neutraal tot licht positief. In zelfbeeld zijn er geen verschillen. Kinderen met Down voelen zich goed als ze positieve feedback krijgen, bijvoorbeeld van de leraar. Ze zijn meestal niet geneigd zich te vergelijken met klasgenoten. En anders valt dat eenvoudig op te lossen, bijvoorbeeld door ze voor hun opdrachten eenzelfde schriftje te geven als klasgenoten.
Het effect op sociale rijpheid is positief, waarschijnlijk door voorbeeldgedrag van klasgenoten. Kinderen leren adequatere sociale strategieën, bijvoorbeeld dat je beter om iets kunt vragen dan het afpakken.’
Hoe zit het met vriendschappen?
‘In het algemeen worden kinderen met Down vriendschappelijk behandeld en niet gepest. Ze hebben evenveel vrienden als op een speciale school en wat meer contacten buiten schooltijd. Op een speciale school heb je een logistiek probleem: als je laat thuiskomt met een busje, zijn de speelafspraken voorbij.
De kans op vriendschappen met andere kinderen met een handicap is natuurlijk wel kleiner. Op jonge leeftijd zijn vriendschappen met gewone kinderen nog gelijkwaardig, maar rond de tienerleeftijd verandert dat. Een kind met Down wordt dan een soort jonger broertje of zusje. Het is daarom belangrijk contacten te organiseren met andere kinderen met een beperking. Kinderen in het speciaal onderwijs hebben meer gelijkwaardige vrienden, al zien ze die dus zelden thuis.’
Wat betekent de aanwezigheid van leerlingen met Down voor hun klasgenoten?
‘Uit internationaal onderzoek blijkt dat het niet ten koste gaat van de leerprestaties van andere kinderen. In sociaal opzicht hebben klasgenoten er profijt van. In klassen met een kind met Downsyndroom wordt minder gepest, zijn de sociale cohesie en de tevredenheid over de school hoger en kunnen kinderen eerder het perspectief van een ander aannemen. Ze hebben meer begrip voor kinderen met een handicap en andere minderheden.’
Wat adviseert u ouders van een kind met Downsyndroom, wetende dat 60 procent uitvalt in het regulier onderwijs?
‘In het algemeen zou ik zeggen: probeer het op een gewone school. Zelfs als een kind er maar een aantal jaren blijft, profiteert het daarvan. In sociaal opzicht, omdat het bekend raakt in het eigen dorp of de eigen buurt. En in taalvaardigheid, want een speciale school is zeer taalarm. Vanaf groep 3 profiteert het kind bovendien van het leesonderwijs.
Er zijn geen vaste wetten. Je moet als ouders ook kijken: zie ik mijn kind hier voor me? Als je kind op het kinderdagverblijf veel moeite heeft met prikkels, is een gewone school misschien minder geschikt. Aan de andere kant is het speciaal onderwijs ook niet per se prikkelarm.’
De rugzakregeling maakt per 1 augustus 2014 plaats voor de regeling passend onderwijs. Wat gaat dat betekenen?
‘Niemand weet dat nog. Het samenwerkingsverband van schoolbesturen in een regio wordt verantwoordelijk voor al het geld en voor de kinderen. Zij moeten ook het speciaal onderwijs betalen. Reguliere scholen worden verplicht te onderzoeken of ze een kind met een beperking kunnen opnemen en voor hoeveel geld. Als een school onder het bedrag blijft dat een speciale school kost, zal het samenwerkingsverband eerder daarvoor kiezen. De vraag is wat er gebeurt als de gezamenlijke schoolbesturen kiezen voor een speciale school en de ouders dat niet willen.
Ik verwacht dat het mogelijk blijft dat kinderen met ondersteuning naar gewone scholen kunnen. Er zullen meer speciale klassen komen in het reguliere onderwijs. Die kunnen waardevol zijn voor kinderen voor wie een gewone klas niet haalbaar is, zeker als je integratiemomenten organiseert met andere leerlingen. Het gevaar is wel dat kinderen die naar een gewone klas zouden kunnen, ook naar een speciale klas moeten. Maar ik ga ervan uit dat scholen die goede ervaringen hebben met kinderen met Down in de klas, ermee door willen gaan. Een onderwijzer zei laatst: “Ik vind het ook goed voor de andere kinderen. Zij leren begrijpen dat niet iedereen is zoals jij.”