Achtergrond

Volledige inclusie is nog niet bereikt

Hoe ver is Nederland als het gaat om inclusie? Feiten, meningen en ervaringsverhalen laten zien waar het wel en niet lukt. ‘We zijn nog teveel afhankelijk van welwillende individuen.’

Inclusie is regelmatig onderwerp van discussie. Waar de een vindt dat we al flinke stappen hebben gezet in Nederland, is een ander van mening dat er nog een lange weg is te gaan. Wet- en regelgeving kan meedoen bevorderen, maar dat betekent nog niet dat er ook sprake is van sociale inclusie. ‘Die laatste stap is het meest weerbarstig’, stelt onderzoeker Hans Kröber.

Cijfers
Er zijn al veel onderzoeken gedaan naar inclusie, op alle domeinen van het leven. Wat blijkt? De participatie van mensen met een beperking is de afgelopen zeven jaar nauwelijks verbeterd. Onderzoeksinstituut Nivel bekijkt de situatie sinds 2006. Hoe ernstiger de beperking, des te minder mensen meedoen. Dat constateert ook Stichting Perspectief in een rapport van vorig jaar over de rechten van mensen met een beperking. Mensen met ernstige beperkingen die in een instelling wonen zijn in het nadeel door beperkende maatregelen en onvrijwillige behandelingen. Mensen met een verstandelijke beperking integreren minder makkelijk dan mensen met een lichamelijke beperking, aldus het Nivel. Slechts dertig procent van de mensen met een verstandelijke beperking ontmoet regelmatig vrienden. Van de lichamelijk gehandicapten is dat 83 procent, in de algemene bevolking ziet negentig procent vrienden. Betaald werk heeft 38 procent van de mensen met een lichamelijke beperking. Bij verstandelijk gehandicapten is dat ruim de helft, als je werk in Wsw-verband meetelt. Veel mensen staan ongewild aan de kant.

Belemmeringen
Belemmeringen liggen volgens het Nivel vaak in de samenleving, maar soms ook bij mensen zelf. Iemands persoonlijkheid kan een belemmering vormen voor integratie, of gebrek aan geld of een slechte gezondheid. Mensen met een verstandelijke beperking denken vaak iets niet te kunnen, terwijl het met de juiste begeleiding wel lukt. Het sociale netwerk is vaak klein. Participatie is toch maakbaar, stelt de onderzoeker van het Nivel. Het VN-verdrag kan helpen, omdat het buurten en voorzieningen toegankelijker maakt voor mensen met een beperking. En in Wmo-raden zouden meer mensen met een verstandelijke beperking vertegenwoordigd moeten zijn.

Niet samen naar school
Scholen zijn nog niet inclusief: de meeste kinderen met een beperking zitten op een speciale school, stelt José Smits van Stichting Perspectief in het onderzoek Samen leren. Middelbare scholen zijn het minst inclusief. Terwijl kinderen met een beperking op een gewone school beter presteren en een sterker sociaal netwerk ontwikkelen. Een hogere opleiding leidt tot een (betere) baan. Ook universiteiten zijn onvoldoende voorbereid op studenten met een beperking: tweederde van hen heeft dagelijks last van belemmeringen, constateerde onderzoeker Plemper in een inventarisatie van 2005.

VN-verdrag
In het VN-verdrag voor de rechten van mensen met een beperking staat dat zij recht hebben op een goed leven en gewoon meedoen. Mensen zijn verschillend, maar hebben dezelfde rechten. Nederland heeft het verdrag ondertekend, maar als een van de weinige landen nog niet geratificeerd. Eerst wilde de overheid onderzoeken welke aanpassingen ze zou moeten doen. De overheid moet na tekening het openbare leven zo organiseren dat mensen met een beperking gelijke kansen hebben. Het Kabinet-Rutte heeft bij monde van staatssecretaris Jetta Klijnsma van sociale zaken gezegd dat de ratificatie van het verdrag van groot belang is. In de aanloop naar de ratificatie organiseert de Coalitie voor Inclusie regionale bijeenkomsten onder de noemer VN-Verdrag om de hoek.
Bronnen: www.kalliopeconsult.nl De in dit artikel genoemde onderzoeken zijn hier kort besproken in een inventarisatie onder Publicaties>Inclusie en burgerschap>Onderzoek naar inclusie. www.nivel.nl/sites/default/files/bestanden/participatiemonitor2011.pdf www.perspectief.org/ www.vnverdragwaarmaken.nl/om-de-hoek www.inclusie.nu
‘We zitten nu op een kantelpunt in de tijd’

We hebben de afgelopen dertig jaar enorme stappen gezet naar inclusie, stelt onderzoeker Hans Kröber. Toch hebben we nog een lange weg te gaan zegt onderzoeker Manon Verdonschot. Het ligt er maar aan wat je onder inclusie verstaat.

‘Als je wilt weten hoe het staat met inclusie in Nederland, moet je eerst weten wat je onder inclusie verstaat’, zegt Hans Kröber. ‘Wat ik relevant vind, is dat mensen met een beperking kunnen meedoen, ertoe doen en dat de samenleving verschillen positief duidt.’ Hans Kröber houdt zich zo’n dertig jaar bezig met het onderwerp inclusie. Als bestuurder van Pameijer en als onderzoeker. Twee jaar geleden promoveerde hij op de voorwaarden voor inclusie. Er zijn drie niveaus waarop inclusie bereikt kan worden, stelt Kröber. Wet- en regelgeving kan meedoen bevorderen, empowerment geeft mensen zelfvertrouwen en instellingen kunnen op lokaal niveau verbindingen aangaan, bijvoorbeeld instellingen voor gehandicaptenzorg met woningcorporaties. ‘Op dat eerste niveau gebeurt nu heel veel in Nederland’, aldus Kröber. ‘Denk aan de Wmo, de Participatiewet, het VN-verdrag. Al die regelingen bevorderen inclusie omdat ze formele zorg afbouwen en informele zorg bevorderen. Natuurlijk zit er ook een bezuiniging onder, maar de grondgedachte is inclusief.’ Nederland is niet het eerste land dat deze slag maakt. ‘In de Scandinavische landen is dat al in de jaren vijftig gebeurd, en in de jaren tachtig keken Erwin Wieringa en ik onze ogen uit in Amerika, waar mensen met een beperking in supermarkten werkten.’ Het beleid heeft nog niet tot volledige inclusie geleid. ‘Het leidt tot fysieke integratie – mensen gaan samen naar school – en functionele integratie – mensen hebben onderling contact –, maar sociale integratie komt pas op gang als sociale contacten goed begeleid worden. Deze wederkerigheid is het meest fundamenteel, en het meest weerbarstig.’

Goede voorbeelden
In Nederland zijn wel heel veel goede voorbeelden te vinden van samenwerking. Pameijer trekt bijvoorbeeld op met een kinderdagcentrum en kinderen van Aventurijn gaan naar school met kinderen met ernstige beperkingen van Esdégé-Reijgersdaal. Kröber: ‘Dat vraagt een bepaalde waardeoriëntatie van de instellingen, en een andere houding van begeleiders. Er is veel handelingsverlegenheid.’ Om die reden werkt Kröber nu samen met Manon Verdonschot aan een onderzoek naar het omzetten van goede voorbeelden in duurzaam en algemeen beleid. Zeven instellingen voor gehandicaptenzorg, Vilans, Perspectief en twee hogescholen brengen in kaart waarom het bij proeftuinen in de instellingen wel werkt, en waarom inclusie elders in dezelfde instelling niet op gang komt. De resultaten komen op een website voor begeleiders: het leerplatform.

Open staan
We zijn op de goede weg, vindt Hans Kröber. Vooral de laatste jaren is de samenleving veel inclusiever geworden. ‘We waren als samenleving zo speciaal georganiseerd dat we hebben afgeleerd om open te staan voor anders zijn. Bedenk dat Nederland dertig jaar geleden alleen intramurale instellingen had, met dagcentra waar mensen in groepen zaten te puzzelen. Instellingen moesten groot zijn, anders hadden ze geen geld voor een eigen zwembad. Iedereen vond dat mensen daar beter af waren. Door de grote stelselwijziging komen we nu op een kantelpunt. Ik denk dat de Nederlandse samenleving een enorme potentie heeft. Veel mensen willen best wat doen voor mensen met beperkingen, maar je moet dat wel aanboren.’ Toch zijn we er nog lang niet, zegt Kröber. ‘Het Nivel wijst erop dat mensen met een beperking nog ver achterlopen op het gebied van werk, vrijetijdsbesteding en vriendschap. Inclusief onderwijs kan echte sociale contacten op gang brengen.’

Ratificatie Manon Verdonschot is minder positief. ‘We hebben nog een lange weg te gaan’, zegt ze. ‘Ik denk dat de ratificatie van het VN-verdrag daar zeer bij gaat helpen. Dan moet je wel. Kinderen kunnen dan niet meer geweigerd worden op een gewone school.’ Een andere hoopvolle ontwikkeling is het gebruik van mainstream technologie in de gehandicaptenzorg, aldus Verdonschot. Zoals een gewone iPhone of tablet met daarop aangepaste apps voor mensen met een beperking. ‘In de praktijk hebben mensen heel snel door hoe het werkt. Ze voelen zich onafhankelijker. Een cliënt zei: “Ik ben na vijfentwintig jaar taxi af.” Hij kan nu met het openbaar vervoer, net als ieder ander. Dat is voor mensen een revolutie.’

Fragmenten uit de dvd over het inclusieve schoolproject van Aventurijn en Esdégé Reigersdaal staan op www.kennispleingehandicaptensector.nl/kennisplein/ onder Verbinden>Showcases>naar een reguliere basisschool.

De praktijk

Hoe gaat het met inclusie in het dagelijks leven? Drie voorbeelden uit de praktijk.

‘Ik hoop dat hij de kans krijgt’

Ries heeft het syndroom van Down. Hij doet het goed volgens zijn moeder Pé Geutjes. Sportief, goed gevoel voor humor, best slim en veel vrienden. Het was wel een toer om hem op een goede, toekomstgerichte middelbare school te krijgen. ‘Er zitten in Nederland maar acht kinderen met Down op een reguliere middelbare school’, zegt ze. ‘Dit is de eerste generatie met Down die naar een reguliere school gaat.’ Op de basisschool in Eindhoven zat Ries in een reguliere klas en kreeg hij extra begeleiding in de Vuursteenklas voor kinderen met het syndroom van Down. Toen hij in groep 7 werd gepest, kon hij blijven zitten in een sociaal vriendelijker klas. Het werd lastig toen geen enkele middelbare school hem wilde hebben. Pé Geutjes: ‘Ze beweerden dat het teveel tijd en geld zou kosten. Ze twijfelden ook of hij wel een diploma kon halen. Dat vond ik minder belangrijk.’
De Praktijkschool wilde het wel twee weken proberen met Ries. Docenten waren enthousiast, maar de school zei toch nee.  Wat nou als Ries niet meekwam in een klas met grotestadskinderen? ‘Ik zei dat ik dat ook heel spannend vond.’ De school ging overstag na overleg met de basisschool. ‘Hij heeft het heel goed gedaan, petje af’, zegt ze over Ries. ‘Ik ben heel blij dat dit lijkt te lukken, maar ik blijf wat op mijn hoede. Hij zal zijn hele leven afhankelijk zijn van goedwillende individuen.’ De dag na het interview blijkt dat diverse leerkrachten twijfels houden. Ries heeft volgens hen problemen met tempo, hygiëne, afstemmen en eigenwijzigheid.

Bijzondere wijk
Disability Studies in Nederland begint binnenkort met een onderzoek naar inclusie in de Stripheldenbuurt in Almere. Deze buurt is gekozen vanwege de bijzondere bewoners: Indische ouderen, mensen met psychiatrische problemen en mensen met een verstandelijke beperking hebben onder anderen woongroepen in de wijk. De onderzoekers bekijken of mensen met een beperking toegang hebben tot werk en zorg, en of onderling contact in de wijk bijdraagt aan inclusie. ‘Dat weet ik wel zeker’, zegt gebiedsmanager Olaf de Koning van stadsdeel Almere Buiten. ‘Ik ga binnen het onderzoek ontmoetingen organiseren. Ik ga iedereen wijzen op het bestaande aanbod van activiteiten, zodat mensen samen komen. Ik wil ook aan beeldvorming doen. De gemiddelde burger weet niet wat mensen met een beperking kunnen bijdragen aan de samenleving. Ze zien vooral de beperking.’ In de Stripheldenbuurt komt inclusie geleidelijk op gang. Bewoners met een beperking van woongroep de Paladijn komen regelmatig naar gemeentelijke informatieavonden. Buurtbewoners komen elkaar tegen in het gezondheidscentrum of het buurthuis. Zoals op het voor iedereen toegankelijke muziekfestival dat in maart werd georganiseerd in Het Clubhuis van Kwintes. Kwintes ondersteunt mensen met een psychische of sociale kwetsbaarheid bij wonen, werken, leren en recreëren. Bij Het Clubhuis ligt de nadruk op gezamenlijkheid, onderlinge steun, eigen inzet en verantwoordelijkheid. De staf en clubleden werken op basis van gelijkwaardigheid samen om Het Clubhuis draaiend te houden.