Achtergrond

‘Ik heb geen pasklare antwoorden’

Mensen met een licht verstandelijke beperking komen vaker in aanraking met justitie dan anderen. Hoe worden zij begeleid? Lector Hendrien Kaal wil dat zorg en justitie hun kennis gaan delen.

Als jongeren met een licht verstandelijke beperking crimineel gedrag vertonen, is het belangrijk dat die beperking wordt herkend. Daarom moeten de verschillende werkvelden waarmee ze in aanraking kunnen komen goed samenwerken. Dat zegt Hendrien Kaal in de rede waarmee ze op 7 november haar lectoraat, ingesteld door de William Schrikker Groep en de Hogeschool Leiden, officieel aanvaardt. De inhoud van de rede, getiteld Ongewoon moeilijk, is na te lezen in een uitgebreider boekje. Daarin schrijft ze dat vooral de verstandelijk gehandicaptenzorg in de samenwerking vaak buiten beeld blijft.

Hoe is het mogelijk dat er weinig samenwerking is met de gehandicaptenzorg?
Kaal: ‘Als deze jongeren in aanraking komen met justitie, zijn ze vaak nog niet in contact geweest  met de hulpverlening. Soms is niet bekend dat ze een licht verstandelijke beperking hebben en wordt dat pas halverwege een reclasseringstraject duidelijk.’

De gehandicaptenzorg wil mensen met een beperking vroegtijdig signaleren. Lukt dat niet?
‘Dat durf ik niet te zeggen, maar ook als er sprake is van vroegsignalering komt het voor dat iemand met een beperking wel contact heeft gehad met een zorgaanbieder, maar dat dit niet bekend is bij justitie. Het heeft jaren geduurd voordat justitie en ggz een gezamenlijke taal ontwikkelden en het vanzelfsprekend vonden om samen te werken. Justitie en de gehandicaptensector zijn nog niet zo ver. Er zijn wel pilots, waarin gekeken wordt of het mogelijk is om in de gevangenis ondersteuning te bieden vanuit de gehandicaptensector. Maar de gehandicaptensector is voor de justitiële strafrechtketen nog geen vanzelfsprekende partner.’

Politieagenten willen graag scholing krijgen van mensen uit de gehandicaptensector, schrijft u. Kunnen we dat niet direct gaan doen?
‘Er is ook binnen de politie oog voor de noodzaak aandacht te besteden aan delinquenten met een licht verstandelijke beperking. Maar voor agenten is dat één van de vele problemen waarmee ze te maken krijgen. Ze moeten ook al iets weten over verslaving, autisme en verschillende psychiatrische stoornissen. Daarom willen ze er hooguit vier uur aan besteden.’

Aan de slag dus?
‘Als het bijvoorbeeld gaat om een verhoor, dan zou het fijn zijn als mensen vooraf in kaart kunnen brengen of er sprake is van een licht verstandelijk beperking. Het lijkt ook haalbaar om voor een verhoor informatie op te vragen over een jongere. Maar als de politie een aanhouding moet verrichten, dan is er vaak helemaal geen tijd om na te gaan of er sprake is van een beperking. Het vergt ook veel inzicht van een politieagent om onderscheid te maken tussen gedrag dat voortkomt uit angst of onbegrip, of gedrag dat gewoon bijdehand of vervelend is. Het lijkt heel gemakkelijk om te vertellen waaraan je iemand met een licht verstandelijke beperking in de praktijk kunt herkennen, maar het is best lastig.’

Over wat voor crimineel gedrag hebben we het? En hoe vaak komt het voor?
‘Het gaat vaak om delicten die te maken hebben met impulscontrole, zoals diefstal, overvallen of agressie. Geen delicten die veel planning vooraf vergen. Het percentage mensen met een licht verstandelijke beperking dat in detentie verkeert is hoger dan in de algemene bevolking, maar daarmee is nog niet gezegd dat ze vaker crimineel gedrag vertonen. Het is ook mogelijk dat ze sneller door de mand vallen en bijvoorbeeld minder goed weten hoe ze zich moeten gedragen tijdens een rechtszaak. Dan heb je ook nog de vraag wanneer je iets crimineel gedrag noemt. Als iemand agressief is tegen een begeleider of een andere cliënt, dan kun je dat beschouwen als iets wat voortkomt uit de beperking en waar een pedagogische reactie op moet komen, of als crimineel gedrag waarbij een strafrechtelijke reactie gepast is. Dat is een moeilijk dilemma.’

Hoe kun je die afweging maken?
‘Om te beginnen is het al belangrijk dàt die afweging plaatsvindt. Ik denk dat het in de praktijk vaak niet gebeurt. Het kan voorkomen dat er niet wordt gedacht aan een strafrechtelijke reactie, terwijl dat wel op zijn plek kan zijn. Jongeren met een licht verstandelijke beperking weten vaak donders goed wat wel en niet mag. Als iemand zonder af te rekenen met een fles drank de supermarkt uitloopt, dan weet hij best dat zoiets niet de bedoeling is. Dan kun je ervoor kiezen om aangifte te doen.’

En als het gaat om seksueel geweld?
‘We zeggen als samenleving steeds eerder dat overlast van jongeren in het algemeen onacceptabel is en vragen dan om een strafrechtelijke reactie. Ik kan me voorstellen dat men ook bij seksuele vergrijpen sneller dan vroeger zegt: dit kan echt niet. Maar dat is slechts een vermoeden, ik ken hierover geen cijfers.’

Maar u pleit er niet voor om weer toleranter te worden?
‘Ik pleit er voor dat we als maatschappij nadenken over wat we van mensen vragen. Accepteren we nog dat andere mensen soms niet doen wat we willen? Zo erg is het niet altijd. Verdraagzaamheid is een groot goed.’

Vertonen mensen met een licht verstandelijke beperking nou vaker crimineel gedrag, of is alleen de pakkans groter?
‘Het is waarschijnlijk allebei waar. Als je kijkt naar alle risicofactoren voor crimineel gedrag, dan zie je dat die in grote mate aanwezig zijn bij deze groep. Het hebben van een schoolopleiding, werk, vrienden en een positieve gezinssituatie zijn allemaal belangrijke factoren om crimineel gedrag te voorkomen. Dan kun je veronderstellen dat het gebrek daaraan bij deze groep leidt tot meer crimineel gedrag.’

Is er helemaal geen direct verband tussen de beperking en crimineel gedrag?
‘Het lage IQ voegt een klein deeltje toe. Dan gaat het bijvoorbeeld om het inschatten van de risico’s en het maken van een rationele afweging: alles overziend, lijkt het me verstandig dit niet te doen.’

Wat een moeilijk onderwerp is dit!
‘Het is moeilijk in de zin dat ik geen pasklare antwoorden heb. Ik weet niet hoe het moet. Ik probeer wel uit te vinden waar de dilemma’s zitten en wat we wel weten naast elkaar te leggen, zodat de verschillende werkvelden samen kunnen komen. Dat is vooral leuk en zinvol.’

Wat is het grootste dilemma?
‘Om gedrag te beoordelen moet je weten of iemand een verstandelijke beperking heeft of niet - dat is al geen zwart-wit gegeven. Vervolgens is het de vraag of die beperking een rol speelt of niet. En dan komt de vraag hoe je er mee om gaat. Als je vindt dat het strafrechtelijk kader van toepassing is, hoe betrek je daar dan alle partijen bij: de politie, de Raad voor de Kinderbescherming, de reclassering, de rechter, de advocaat? Dat zijn heel veel verschillende partijen die er allemaal op hun manier rekening mee zouden kunnen houden. Hoe spreken we deze jongere aan in de rechtszaal? Mag iemand die hij kent aanwezig zijn bij het verhoor? Hoe stel je de vragen op een manier dat hij ze begrijpt? Hoe begeleid je iemand bij de tenuitvoerlegging van de straf? Welke nazorg is noodzakelijk? In alle schakels van die keten liggen risico’s voor deze jongeren.’

U schrijft over een onderzoek waarvoor penitentiaire inrichtingen proefpersonen moesten aanleveren, zowel met als zonder beperking. Van de groep die volgens het personeel geen beperking heeft bleek toch 85 procent een IQ van onder de 85 te hebben.
‘Het vermoeden dat deze mensen niet worden herkend wordt daardoor bevestigd. Vooraf hadden we de penitentiaire-inrichtingswerkers en psychologen gebrieft over hoe je een licht verstandelijke beperking herkent. Daarvoor hadden we de richtlijnen van De Borg verwerkt in een presentatie. Mijn angst was dat we vooral de hogere IQ’s zouden krijgen, waarvan je zegt: die hebben zeker geen verstandelijke beperking. Dan zouden we in het onderzoek een soort IQ-gat krijgen. Maar dat gebeurde dus niet.’

Is goede screening wel mogelijk?
‘We hebben onlangs een screeningsinstrument ontwikkeld, dat een objectieve inschatting mogelijk maakt. Dat is een grote stap vooruit, maar niet het antwoord op alle problemen. We hebben een pilot gedaan, waaruit blijkt dat screening in ieder geval in justitiële inrichtingen een rol kan spelen, maar ik zou graag willen weten of het instrument ook kan worden ingezet door de politie of de reclassering. Daar moeten we mee aan de slag. Hoe past het binnen een organisatie? Bij de reclassering moet men bijvoorbeeld verschijnen op afspraken met de reclasseringswerker. Als iemand niet komt opdagen, dan kun je denken dat hij niet kan of wil, maar misschien is het hem niet gelukt omdat hij het openbaar vervoer moet gebruiken en dat ingewikkeld vindt. Dan kun je daar eerst naar kijken, voordat het tot een terugmelding bij de rechter komt.’

In uw boekje staan ook verhalen over jongeren. Spreekt daar sympathie uit?
‘Die verhalen zijn een poging om naast alle wetenschappelijk informatie voor ogen te houden dat we het over mensen hebben. Ik vind dat we als maatschappij een verantwoordelijkheid hebben voor hoe we omgaan met deze mensen. We wijzen hen te gemakkelijk op hun eigen verantwoordelijkheid. Dat leidt tot gedrag dat op zichzelf vaak onacceptabel is - iemand die een overval pleegt doet iets wat we niet moeten accepteren - maar we kunnen wel proberen zulke situaties te voorkomen, door ervoor te zorgen dat mensen zoveel mogelijk kunnen meedoen.’

Gaat u daar als lector ook in de samenleving voor pleiten?
‘Ik ben in de eerste plaats onderzoeker. Er is her en der veel kennis beschikbaar, maar die is niet altijd met elkaar verbonden. En er zijn onderwerpen waarover kennis ontbreekt. Die wil ik samen met het veld in kaart brengen. Bijvoorbeeld als het gaat om bejegening. Het is belangrijk dat bijvoorbeeld een reclasseringsmedewerker niet alleen een cursus agressieregulatie aanbiedt, maar ook aandacht besteedt aan de relatie. Ik wil graag dat we met zijn allen iets meer visie krijgen over wat we willen met deze groep. Ik ben zelf niet de visiemaker, maar ik kan wel de informatie over deze doelgroep aandragen die belangrijk is voor het vormen van die visie.’

In april publiceerde Hendrien Kaal samen met Xavier Moonen en Henk Nijman in Markant een artikel over hun LVB-screener: Handig: een snelle LVB-screener. Dit artikel staat ook op tijdschriftmarkant.nl.

De Screener voor intelligentie en licht verstandelijke beperking, van dezelfde auteurs, verscheen bij uitgeverij Hogrefe.

Ongewoon moeilijk verschijnt 4 november bij Boom Lemma uitgevers.

Kader
HENDRIEN KAAL

Geboren in Zutphen op 24 april 1972

1990 – 1991  propedeuse psychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen 1992 – 1994  propedeuse
                    rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leiden
1991 – 1995  sociale psychologie en methoden en technieken van sociaal
                    wetenschappelijk onderzoek aan de Universiteit Leiden
1995 – 2000  promotieonderzoek naar de vervolgingspraktijk van de politie
                    met betrekking tot drugsdelinquenten
2000 - 2003  onderzoeker aan het CEDRO (Centrum voor Drugsonderzoek)
                    van de Universiteit van Amsterdam
2003 - 2004  docent SPW aan het Mondriaan College
2004 - 2008  docent criminologie aan de Universiteit Leiden
2008 - 2011  research manager bij het Wetenschappelijk Onderzoek en
                    Documentatie Centrum van het ministerie voor Veiligheid en
                    Justitie/WODC
2011 - 2012  senior onderzoeker en docent psychologie en criminologie bij de
                    opleiding Toegepaste psychologie van de Hogeschool Leiden
2012 - heden lector Licht verstandelijke beperking en jeugdcriminaliteit aan
                    de Hogeschool Leiden