Om toekomstbestendig te zijn moet ook de gehandicaptensector de eigen kennis blijven ontwikkelen. Zeker als zich zulke grote veranderingen voordoen als nu. Hoe houden we de kenniscirkel draaiend?

Meer dan ooit leiden veranderingen in de ondersteuning van mensen met een beperking tot nieuwe behoeften aan kennis. Het eigen netwerk van mensen met een beperking gaat een grotere rol spelen, algemene voorzieningen in de lokale samenleving worden belangrijker en de financiering verandert.
Zorgaanbieders bezinnen zich nu op de manier waarop ze hun specifieke deskundigheid kunnen inbrengen. Hoe kunnen zij hun gespecialiseerde kennis zo goed mogelijk beschikbaar stellen? Hoe kan de sector zich profileren? En wat moeten professionals bijleren om in een nieuwe werkelijkheid hun bijdrage te leveren?
Dat de vermaatschappelijking grote gevolgen heeft voor de ontwikkeling van kennis en onderzoek blijkt uit drie initiatieven waarin de VGN een rol speelt: het nieuwe kennisbeleid voor 2013 tot 2015, de zogeheten Kennisagenda Gehandicaptensector, en de samenwerking met hoogleraren onder de noemer ‘Krachten bundelen’.

Professionaliteit
‘Als mensen meer worden ondersteund vanuit hun eigen netwerk of vanuit gewone voorzieningen, is het belangrijk dat professionals daar beter op worden toegerust’, zegt Marion Kersten van de VGN. ‘Dat heeft gevolgen voor de kwalificatiestructuur binnen het onderwijs. En er moet onderzoek komen dat inspeelt op de stelselwijzigingen. Wat zijn de gevolgen van de veranderingen?’
De focus van het kennisbeleid van de VGN richt zich sinds 2005 op het versterken van de professionaliteit. Dat zal ook in de komende periode zo blijven, legt Kersten uit. ‘Professionaliteit leidt tot verbetering van de kwaliteit van de ondersteuning en daarmee uiteindelijk van de kwaliteit van bestaan van cliënten.’
De belangrijkste rol in het kennisbeleid spelen de organisaties die lid zijn van de VGN zelf. Kersten: ‘Kennisbeleid speelt zich primair af binnen de zorginstellingen. Daar is het belangrijk dat medewerkers op het juiste moment over de juiste kennis beschikken. Als VGN stimuleren we dat er binnen die instellingen goed kennisbeleid wordt ontwikkeld. Dat doen we door overkoepelende activiteiten aan te bieden waarvan iedereen gebruik kan maken, en door ervoor te zorgen dat collectieve vragen worden opgepakt door onderzoekers of een kennisinstituut.’
Een voorbeeld: ‘We weten dat de sector de komende jaren steeds meer te maken krijgt met ouderen met een verstandelijke beperking. Dan is het goed om ervoor te zorgen dat professionals daarop worden voorbereid. In dit geval hebben we gestimuleerd dat het Kennisplein gehandicaptensector producten heeft ontwikkeld waarvan iedereen profijt heeft. Ook is er een leernetwerk over ouderen opgezet.’

Kenniscirkel
Een belangrijke rol in het kennisbeleid speelt de zogeheten kenniscirkel. Die laat zien dat er eerst een vraag is naar kennis. Vervolgens wordt er kennis gegenereerd en gewogen. En dan wordt de kennis verspreid, geïmplementeerd en gebruikt. Waarna er weer nieuwe vragen naar kennis ontstaan.
De taak van de VGN ligt aan het begin en aan het eind van de cirkel. De vragen die ontstaan in de beroepspraktijk moeten worden opgepikt door onderzoekers en de resultaten van onderzoek moeten een goede landing krijgen in de beroepspraktijk. De twee speerpunten die de VGN voor de komende periode heeft gekozen, sluiten daarop aan: het versterken van het Kennisplein gehandicaptensector; en samen met hoogleraren en lectoren - en met gebruik van de Kennisagenda - een nieuw onderzoeksprogramma ontwikkelen.

Kennisplein
Het Kennisplein is een bestaand initiatief van Vilans, MEE Nederland en de VGN om via een website, bijeenkomsten en op andere manieren kennis te verspreiden. Helaas laat de vindbaarheid van informatie op de website nog te wensen over. Kersten: ‘We
moeten de primaire doelgroep beter benoemen. Doordat die nu te vaag is, is het Kennisplein eigenlijk van niemand. We gaan de focus nu leggen op het primaire proces: begeleiders en degenen die hen aansturen.’
Ook zal er aan de informatie op het Kennisplein een karakterisering worden toegevoegd, zodat de gebruiker beter weet wat de waarde voor hem is. Kersten: ‘Vergelijk het met een etiketje. Daarop kun je zien of een methodiek gebaseerd is op actuele kennis en of hij evidence based is, of gebaseerd op praktijkkennis.
Ook de Kennismarkt, het congres dat het Kennisplein jaarlijks organiseert, krijgt een scherpere focus. De eerstvolgende keer dat dit evenement plaatsvindt, 18 november in Utrecht, is er een uitgebreider plenair programma dan voorheen. En er is een thema:  ondersteuning bij participatie. Ook betrekt de organisatie er een nieuwe partner bij: de Hogeschool Utrecht, waar Jean Pierre Wilken lector in Participatie Zorg en Ondersteuning is.
Dat het Kennisplein zich nu duidelijker gaat richten op professionals in het primaire proces, wil overigens niet zeggen dat Focus op Onderzoek, het congres voor onderzoekers en beleidsmakers dat om de paar jaar plaatsvindt, niet meer wordt gehouden. Maar het onderscheid met de Kennismarkt zal duidelijker worden.’

Kennisagenda
De Kennisagenda heeft de VGN samen met MEE Nederland, Vilans en ZonMw opgesteld. Daarin worden vijf thema’s onderscheiden die belangrijk zijn voor de toekomst: vermaatschappelijking; de relatie tussen professionals en cliënten; deskundig personeel; biomedische kennis; en beleidsondersteunend onderzoek.
Over de relatie tussen professionals en cliënten zegt Kersten: ‘Uit het werken met het Kwaliteitskader blijkt dat deze relatie een heel belangrijke factor is in de kwaliteit van zorg en de kwaliteit van bestaan. De vraag is daarom: hoe kun je in onderzoek goed aandacht besteden aan die relatie? Een methode als Beelden van kwaliteit van Reinders past daar bijvoorbeeld veel beter bij dan het afnemen van een plat vragenlijstje.’
En over het thema ‘beleidsondersteunend onderzoek’ zegt ze: ‘Onze sector komt niet altijd goed voor het voetlicht. We moeten beter verhelderen wat we nu eigenlijk doen en wat de gevolgen zijn van de wijzigingen in het beleid. Als cliënten vanuit een instelling in de wijk gaan wonen, dan is een relevante vraag: wat krijgen ze nu voor voorzieningen en tot welke kwaliteit van bestaan leidt dat? En hoe is dat over vier jaar, als ze in de samenleving wonen? Welke voorzieningen gebruiken ze en tot welke kwaliteit van bestaan leidt dat dan?’

Research and development
De VGN gebruikt de Kennisagenda weer als bouwsteen voor een het initiatief ‘Krachten bundelen’. Samen met hoogleraren die actief zijn binnen de sector worden plannen gesmeed voor een nieuw onderzoeksprogramma. Kersten: ‘Van het thema vermaatschappelijking is meteen gezegd: dat gaan we ook daadwerkelijk oppakken. Daarvoor zijn hoogleraren nu een onderzoeksvoorstel aan het ontwikkelen.’
De aanleiding om nu aan de slag te gaan is dat drie bestaande onderzoeksprogramma’s aflopen: het ZonMw-programma Verstandelijke Beperkingen, waarbinnen onderzoekers in consortia samenwerkten met zorgorganisaties; het programma over mensen met visuele beperkingen InZicht; en de eerste onderzoeksronde van Disability Studies, over mensen met beperkingen in de samenleving.
Om gezamenlijk gelden te werven voor een nieuw onderzoeksprogramma wordt gekeken naar meerdere bronnen, zoals de overheid, fondsen en zorgorganisaties. ‘Het zal een kunst zijn om het voor elkaar te krijgen’, zegt Kersten. Maar we gaan er wel voor, want er is een groot belang mee gemoeid. Zowel de profit- als de non-profitsector gebruiken research and development om toekomstbestendig te worden.