Mirjam Sterk: ‘Naleving van het VN-verdrag is niet vrijblijvend’

Minister Mirjam Sterk vindt dat de overheid een been moet bijtrekken als het gaat om de inclusie van mensen met een beperking. Maar de samenleving moet wat haar betreft ook aan de bak. ‘We moeten blijven bedenken dat het niet gaat om het verlenen van een gunst, maar om het erkennen van een mensenrecht.'

Fotograaf: Jan Willem Kaldenbach

In het Gelderse dorp Ingen waar haar vader predikant was, kwam de hele buurt over de vloer. Oud, jong, met en zonder beperking - all inclusive. Vader was ook voorzitter van oudervereniging Philadelphia in de Betuwe en moeder werkte als vrijwilliger voor de Zonnebloem-vereniging. Mirjam Sterk, sinds begin dit jaar minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, groeide op in een omgeving waar mensen met een beperking vanzelfsprekend aanwezig waren, en met ouders die daar zorg om hadden. ‘Dat mensen met een beperking hun plek in de samenleving net zo goed verdienen als ik, is voor mij altijd heel gewoon geweest.’

Ondertussen dit: de ambitie uit de ratificatie van het VN-verdrag Handicap heeft Nederland niet waargemaakt, stelde de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme afgelopen zomer. De integratie van mensen met een beperking laat flink te wensen over. Het onderwijs en de arbeidsmarkt zijn onvoldoende toegankelijk voor mensen met een beperking, woningen en openbaar vervoer idem dito. En dat terwijl ons land hiervoor al tien jaar tijd heeft gehad; het verdrag werd in 2016 door Nederland ondertekend. 

‘Klopt’, erkent Mirjam Sterk meteen volmondig. ‘De naleving van het VN-verdrag gaat niet hard genoeg. Dat gaat over zaken die wij als overheid moeten regelen: openbaar vervoer en gebouwen moeten toegankelijk zijn. Mensen moeten op school de ondersteuning krijgen die zij nodig hebben in plaats van automatisch naar het speciaal onderwijs te worden verwezen, er moeten regelingen en subsidies beschikbaar worden gemaakt… voor dit soort dingen staan wij aan de lat. Maar de samenleving moet zelf ook aan de bak. Ik denk aan ondernemers zoals café-eigenaren die ervoor moeten zorgen dat een rolstoeltoilet niet in de kelder is, en dat de tafeltjes in cafés en restaurants voldoende uit elkaar staan zodat mensen in een rolstoel zich zelfstandig kunnen voortbewegen.’

Uw wittebroodsweken waren snel voorbij?

‘Ja, het is een taaie portefeuille. De zorg loopt vast door personeelstekort. Er zijn flinke hervormingen nodig. Dat is geen fijne boodschap. Maar bij de zorgpartijen is er overeenstemming over, blijkt bijvoorbeeld uit het AZWA-akkoord (het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, ondertekend door diverse zorg- en welzijnsorganisaties en VWS, red). Nu moeten we het gaan uitvoeren. Iets soortgelijks wil ik ook met de gehandicaptensector afspreken. Het beroep zorgbegeleider moet aantrekkelijk zijn en blijven. Het lijkt me nogal killing wanneer je ervoor hebt gekozen om met mensen te werken, en je vervolgens een halve dag formulieren aan het invullen bent. Daar heeft de sector slagen te maken. Begeleiders moeten ook het gevoel hebben dat ze invloed hebben op hun werk, en dat niet alles door managers wordt bepaald. We moeten ook aan de slag om mensen met een licht verstandelijke beperking mee te laten doen aan de samenleving. Soms ondervragen we mensen juist, aan de andere kant worden onnodige hobbels opgeworpen.’

U bedoelt: vaak sluit de samenleving kwetsbare mensen buiten?

‘Ik wil dat beeld een beetje nuanceren. Ik sprak van de week iemand met een progressieve spierziekte, die in een rolstoel zit en raadslid is en haar leven met haar persoonsgebonden budget prima zelfstandig wist vorm te geven. Dus het kan wel. Het beeld dat niets goed gaat, klopt niet.’

Dat heeft iets weg van de American dream: er zijn voorbeelden van knokkers die het lukt, maar een groot deel redt het niet.

‘Dat klopt, en voor deze mensen hebben wij werk te doen. Het positieve vind ik dat er geïnitieerd door VWS een werkagenda ligt, ondertekend door andere ministeries die betrokken zijn bij het inclusiever maken van de samenleving. Departementen die over wonen, onderwijs en vervoer gaan. Dat maakt het voor mij als coördinerend minister makkelijker om hen aan te spreken. Handreikingen en convenanten zijn beleid, het is niet vrijblijvend. Tegelijkertijd vragen sommige dingen gewoon tijd. Je hebt in een jaar tijd niet alle bussen toegankelijk voor mensen met een lichamelijke beperking. Je bent soms afhankelijk van aanbestedingen, die gaan niet over één nacht ijs. Wat de samenleving betreft is er een cultuurverandering nodig. Als minister heb ik geen knop waarop ik kan drukken om die cultuur te veranderen.‘

‘De transitie vraagt om een andere manier van werken en misschien soms ook een ander type begeleider’

De samenleving is helemaal niet gewend aan de integratie van mensen met een beperking; veel Nederlanders komen nooit iemand met een beperking tegen.

‘We zijn in Nederland bezig met het creëren van zorgzame buurten. Voor de ouderenzorg proberen we nieuwe woningen zo te bouwen dat ouderen dicht bij elkaar wonen en dichtbij voorzieningen, zodat ze zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en elkaar kunnen helpen. Dat model kan ook een uitkomst zijn voor sommige mensen met een beperking. Als overheid moeten we de randvoorwaarden van zo’n zorgzame samenleving faciliteren. Dan denk ik aan inlooppunten met cliëntondersteuners, dat sport en cultuur toegankelijk is, en alles wat het leven leuk maakt. Dat je makkelijk een hulpmiddel kunt vinden. Maar dat moeten we met ons allen doen. Ik heb een belangrijke taak om ervoor te zorgen dat er voldoende geld beschikbaar is en dat dingen in wet- en regelgeving worden verankerd. Het is ook belangrijk om de deskundigheid van de doelgroep zelf in te brengen in beleid: het betrekken van mensen met een beperking bij het maken van beleid omdat zij het beste weten wat ze zelf nodig hebben. Passende zorg gaat over wat mensen zėlf nodig hebben, in plaats van dat wij bepalen wat een ander nodig heeft.’

Fotograaf: Jan Willem Kaldenbach
Fotograaf: Jan Willem Kaldenbach

Het gaat ook over dat iemand met een beperking die bij de bakker om de hoek wil werken, niet door de traditionele zorginstelling naar de eigen dagbesteding wordt gedirigeerd.

‘Ja, dat is een belangrijk punt. We zijn in Nederland te lang opgeleid om vanuit zorg te denken en dingen te willen overnemen van kwetsbare mensen. We komen nu steeds meer tot de realisatie dat dit niet voor iedereen nodig en/of fijn is. We moeten ernaartoe dat we onderzoeken: wat heb jij als individu nodig voor de kwaliteit van jouw leven? Die transitie vraagt om een andere manier van werken en misschien soms ook een ander type begeleider. En dat is iets om op te nemen in de bestuursakkoorden, waar ook de VGN bij zit, met het oog op de veranderende vraag in de zorg. Het gaat ook om reablement: mensen in staat stellen om dingen zelf te doen. En om hen in hun eigen omgeving te houden, waar ze vertrouwd zijn. Ook voor de meer traditionele zorgorganisaties zal de wal het schip doen keren, want ook zij kampen met oplopende kosten en personeelskrapte.

Ondertussen zullen we aan de hand van goede voorbeelden moeten laten zien hoe dingen succesvol anders kunnen. Welke instellingen hebben bijvoorbeeld initiatieven ontplooid die minder regeldruk hebben opgeleverd? – de ambitie die we hebben opgenomen in het AZWA-akkoord. Vaak geven mensen de overheid de schuld van onnodige bureaucratie, maar soms blijkt het probleem in de zorgorganisatie zelf te zitten. Zorgmedewerkers denken dat iets moet van hun teamleider, de teamleider denkt op zijn beurt dat het van het bestuur moet, en het bestuur wijst weer naar de raad van toezicht.’ 

‘Omdat andere ministeries hun handtekening hebben gezet, kan ik hen erop aanspreken’

Wat heeft u zichzelf ten doel gesteld?

‘De ambitie is om in drie stappen toe te komen aan de uitvoering van het VN-verdrag in 2040, aan de hand van drie zogeheten ‘werkagenda’s’ die elkaar opvolgen, waarbij verschillende departementen samenwerken. We zijn nu bij de eerste werkagenda tot 2030: de basis van toegankelijkheid. Dan gaat het bijvoorbeeld over vervoer, reizen, wonen en werken. Dit wil ik in beweging houden en versnellen. Wat er precies in de tweede werkagenda zal worden opgenomen, kan ik nu nog niet concreet zeggen, maar mensen met een beperking hebben niet alleen problemen met de toegankelijkheid van gebouwen; hun problemen gaan over alle levensdomeinen en levenslang. Uit mijn ervaring als directeur van de stichting MEE NL weet ik dat goede cliëntondersteuners belangrijk kunnen zijn, zij overzien verschillende domeinen en de samenhang daartussen, weten waar behoeften liggen, en weten ook de weg bij al die domeinen. Het probleem is nu dat er gemeentes zijn die zich soms niet goed raad weten met deze onafhankelijke cliëntondersteuners. Dat zijn gevolgen van de overgang van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Veel gezinnen met kwetsbare kinderen hebben cliëntondersteuners nodig, zodat zij de regie over hun eigen levens blijven houden. Ik wil dus zeker toewerken naar betere cliëntondersteuning. 

Ik wil ook dat het makkelijker wordt voor kinderen met beperking om mee te sporten bij sportfaciliteiten in de buurt en bij lokale verenigingen. En de toegankelijkheidsnorm in de bouwwet- en regelgeving moet scherper. In mijn eerste weken als minister hadden we een wetgevingsoverleg gehandicaptenzorg in de Tweede Kamer. Toen bleek dat mensen met een beperking de zaal niet in konden omdat het Tweede Kamergebouw niet toegankelijk was. Dat laat goed zien dat we als overheid ook heel erg naar onszelf moeten kijken.’

Wanneer is uw termijn geslaagd? 

‘Ik denk niet dat ik over vier jaar tevreden ben. Daarvoor moet er te veel gebeuren. Het is echt een traject van de lange adem. Maar dat verschillende ministeries nu beter betrokken zijn bij de werkagenda, en het leven van mensen met een zichtbare en onzichtbare beperking ook als hun verantwoordelijkheid voelen, daar is een wereld mee te winnen. We moeten ons ook blijven bedenken dat het niet gaat om het verlenen van een gunst, maar om het erkennen van een mensenrecht.'

 

Dit artikel is verschenen in Markant nummer 3 2026.

Brief van Theo van Uum aan Mirjam Sterk: kijk naar de verschillen

De toekomst van de zorg vraagt om scherpe keuzes. In deze open brief benadrukt Theo van Uum waarom de gehandicaptenzorg een eigen plek verdient in het debat over het zorgstelsel.

Wil je meer weten of heb je vragen of opmerkingen?

Neem contact op met Jonathan Maas
E-mail
Telefoonnummer