Achtergrond

Veldnotities: zwaaien naar de buren

Met behulp van plakplastic maakten de begeleiders van Alfons een einde aan het zwaaicontact met zijn buren. Hadden die er dan last van? Aflevering 2 van de Veldnotities van etnograaf Gustaaf Bos.

Wouter en Esmée vertellen mij dat ze in het dagelijks leven weinig van hun buurtgenoten met een verstandelijke beperking merken. Dat was in de eerste maanden anders. Wouter herinnert zich nog goed dat zij hun meervoudig gehandicapte achterbuurman Alfons aanvankelijk vaak voor het raam zagen zitten: ‘Hij keek naar buiten en dan heb je vrij snel contact. Hij zat altijd enthousiast te wuiven.’

Maar Alfons’ woonbegeleiders bleken minder enthousiast en voorzagen het raam van plakplastic. Alfons liet zich echter niet uit het veld slaan en bleef naar zijn nieuwe buren zwaaien, plakplastic of niet. Wouter glimlacht: ‘Hij kwam er nog net bovenuit, dus dan zag je zijn hand – zo. En dan zwaaiden wij terug!’

Niet veel later informeerden de woonbegeleiders bij Wouter of zij last hadden van Alfons’ gezwaai. ‘Nou, nee, natuurlijk heb ik daar geen last van. Maar ik had het idee dat zij het zelf ook niet zo handig vonden, dat ze niet wilden dat Alfons constant deze kant op zou kijken. Dat ze daarin probeerden te sturen; enerzijds om niet tot last te zijn, maar ook omdat het voor hem zelf niet handig is om zo gefocust te zijn op de buren.’ Esmée kan wel begrip opbrengen voor de werkwijze van Alfons’ zorgverleners: ‘Ja, het wordt anders ook zo’n richtpunt voor iemand, hè. “Ik wil dáár zitten, want dan kan ik kijken.” Dat plastic is dan voor zijn eigen bescherming.’

Alfons’ woonbegeleiders maakten een definitief einde aan hun zwaaicontact, door zijn kamerindeling te veranderen. Esmée: ‘Hij kon eerst nog voor het raam zitten en dat kan nu niet meer. Volgens mij staat zijn bed daar nu.’

Even is het stil. Dan concludeert Wouter: ‘Dus hij heeft niet meer de focus op…’ Hij zwijgt en ik vul aan: ‘…de buren die staan te zwaaien?’

We schieten in de lach. Dan benadrukt Esmée: ‘Wij hebben het nooit als een probleem gezien. Het was, denk ik, juist in het begin wel leuk, ook met de kinderen. Die zwaaiden ook steeds. Alfons keek altijd als zij in de tuin speelden.’

Zouden Alfons’ woonbegeleiders zich ervan bewust zijn dat hun interventies een einde maakten aan een spontaan ontluikend burencontact, dat voor beide partijen plezierig was? Wat zou het voor Alfons en zijn nieuwe buren kunnen betekenen als zij meer tijd en ruimte zouden krijgen om elkaar te leren kennen?