Blog

Het instellingsterrein als gemeenschap: wie doet er (nog) mee?

Onderzoeker Femmianne Bredewold

Onderzoeker Femmianne Bredewold komt op instellingsterreinen waar de gezamenlijkheid vrolijk wordt gevierd. Maar ook waar dat nadrukkelijk niet gebeurt, want hier leeft men ‘zo normaal mogelijk’. Wat heeft de voorkeur?

Job kan niet wachten. ‘Wanneer gaan we nu naar de hei? Het feest is echt al begonnen!’ Hij kijkt begeleider Frans vragend aan en springt op en neer van ongeduld. ‘Ja nu gaan we echt hoor’, zegt begeleider Frans lachend.

Vandaag is het een feestelijke en zonnige dag op het instellingsterrein. Het is Sint Jan en de hele dag staat al in het teken van het feest. We vieren het op de hei. Als Job en de anderen van woning De Regenboog aankomen, zijn er al zo’n 80 bewoners die op tuinstoelen of op kleedjes in groepjes bij elkaar zitten.

'Doe je mee?'

Elk huis heeft zijn eigen eten meegenomen. Cake, krentenbollen, salades, worstenbroodjes, sap, er is werk van gemaakt. Job wordt uitbundig begroet. ‘Ha Job, ben je er ook!’, zegt  Pierre, die ik vandaag ook bij de dagbesteding zag. Job zwaait naar Pierre, maar lijkt er niet echt bij met zijn hoofd want de muziek is er al!

De band, bemand door begeleiders en een enkele bewoner, speelt een uitbundig lied. Gitaar, een grote fluit en trommel. Een groepje van twintig bewoners en begeleiders zingen mee, ze klappen en dansen in het rond tussen de kleedjes door. Ze zweten, want het is bloedheet op de hei. Anderen kijken toe, lopen naar andere groepjes en maken praatjes met bewoners. Job rent naar de band en gaat uitbundig staan dansen. Hij zwaait en wenkt naar me, ‘doe je mee?!’

Vaderdag, carnaval, Sint Jan

Ik bezocht de afgelopen tijd instellingsterreinen waar een dergelijk feest meer regel dan uitzondering is. Waar de gemeenschap en gezamenlijkheid letterlijk wordt gevierd. Bewoners en begeleiders leven van feest naar feest, structureren hun dag met gezamenlijk openen en afsluiten. Voor en na de eet- en drinkmomenten lezen begeleiders voor en samen zingen ze liederen die in het teken staan van het seizoen, het afgelopen of naderende feest.

In de ruimten hangen en staan eieren, schapen, bladeren. Afhankelijk van het seizoen of feest dat nadert. Op centrale plekken op het terrein komen ze samen om Vaderdag, carnaval of Sint Jan te vieren en hangen foto’s van decennia geleden waar dezelfde feesten werden gevierd. Het lijkt perspectief en zin te bieden. Het brengt spanning en sensatie op een plek waar je niet overprikkeld raakt door verkeer, onverwachte anderen of een naderende levensgebeurtenis als een verhuizing, geboorte of nieuwe baan. ‘Gaat het vuur vanavond aan of kan het niet omdat het te droog is?’  Dát is een vraag die bewoners voorafgaand aan Sint Jan de hele dag in beroering brengt.

Mooie weken op het instellingsterrein

Ik beleef mooie weken mee op die instellingsterreinen, waar mensen op één plek slapen, eten, werken en spelen. En samen een gemeenschap vormen. Het is gemakkelijk om me thuis te voelen op een plek waar ik mensen tref bij de dagopening en sluiting en ook tegen kom bij werk en sport en spel. Ik leer namen snel kennen en een aantal mensen de mijne.

Altijd dezelfde mensen om je heen

Vanwege alle activiteiten waar je geacht wordt aan deel te nemen, is het niet gemakkelijk om me terug te trekken uit de gemeenschap. Dat realiseer ik me ook als ik er een week verblijf. En dat was decennia geleden een belangrijke reden voor het sluiten van instituten en instellingen. In instituten slapen, werken en spelen mensen op dezelfde plek, met dezelfde mensen.

Ze kunnen niet om elkaar heen, omdat al die levensactiviteiten plaatsvinden op een plek die min of meer afgesloten is van de rest van samenleving. De individualiteit en eigenheid van mensen kan gemakkelijk verdwijnen, omdat mensen samen leven volgens een uitgedacht plan, zo luidde belangrijke kritiek op instellingen. Zelf kiezen met wie je slaapt, wanneer je eet, hoe laat je opstaat, dat zat er niet in. 

Bij de hierboven beschreven instellingen heeft die kritiek wel gezorgd voor meer ruimte voor zelfontplooiing en eigenheid binnen de ruimte van het terrein. Andere instellingen hebben de kritiek radicaler opgenomen.

Gemeenschap vinden in de gewone samenleving

Ik bezoek ook  instellingsterreinen waar die gezamenlijkheid en gemeenschap niet bestaat en ook nadrukkelijk niet wordt nagestreefd, juist om mensen te stimuleren een ‘zo normaal mogelijk leven te leiden’. Waar geen winkeltje, zwembad,  kinderboerderij of een ander centraal ontmoetingspunt is, omdat deze ook te vinden zijn buiten het terrein. Waar er heus verjaardagen en feesten worden gevierd, maar niet zo in gezamenlijkheid met als doel een gemeenschap te creëren, want die moet je vinden in de gewone samenleving.

Foto’s van vroegere tijden ontbreken, want een gezamenlijk verhaal hoeft niet te worden gecreëerd. Op de vraag aan begeleiders en managers of het terrein wel of niet moet blijven bestaan en je daar actief een gemeenschap moet vormen, komen op deze plekken vertwijfelde antwoorden.

Een aantal bestuurders creëert met opzet een warme gemeenschap op het terrein. Een deel zegt, nee je woont al op een terrein, de rest moet daarbuiten worden gezocht.  Een van de managers zegt letterlijk: ‘Als je een eigen gemeenschap creëert, kunnen andere mensen zich buitengesloten voelen en wij willen ons terrein juist openen.’ Maar de vraag die zich bij mij heeft opgedrongen de laatste weken is: wie wil daar dan bij horen?

Femmianne Bredewold en Simon van der Weele schrijven om de beurt een blog over hun onderzoek ‘Sociale inclusie voor mensen die wonen in een beschutte leefomgeving’. In dit onderzoeksproject brengen ze in kaart wat sociale inclusie betekent voor mensen met een beperking die wonen op een instellingsterrein. Om dat te kunnen begrijpen brengen ze weken door op een instellingsterrein en volgen de mensen met een beperking die daar wonen. Ook spreken ze met verwanten, begeleiders, managers en bestuurders om beter te begrijpen wat sociale inclusie is en kan betekenen voor mensen met een verstandelijke beperking die wonen op een instellingsterrein. Ze voeren het onderzoeksproject uit samen met Evelien Tonkens, Margo Trappenburg, Frans Vosman en Yente Eekhof.

Femmianne Bredewold