Besturen in tijden van transitie: van A naar geen flauw idee

’Waarom is transitie geen veranderkunde? Bij veranderkunde ga je van A naar B met een plan. Bij transities verlaat je A voor “geen flauw idee”. En de manier waarop: “geen flauw idee”’, aldus Bart Götte, hoofddocent transitie aan de UvA en gastspreker op de Verenigingsmiddag van de VGN.

Een menselijke toren van Catalanen die op elkaars schouders staan, te midden van een zee aan mensen.

Die vaagheid van ‘op weg gaan naar een ongekende perspectief op een manier die je eigenlijk nog niet weet’ schuurt met de rol en functie van bestuurders en leidinggevenden zoals we die nu invullen, stelt Götte. 'Het geeft bestuurders behoorlijk veel ongemak.' Hoog tijd voor een Verenigingsmiddag met als thema ‘Besturen in transitie’.

Maar waarom zouden we überhaupt een transitie willen? In de meeste gevallen hebben we niet zoveel te willen. Door allerlei maatschappelijke ontwikkelingen, lopen we er steeds weer - en steeds harder - tegenaan dat onze bestaande systemen, culturen, werkwijzen en waarden niet meer functioneren. We hebben steeds meer te maken met de BANI-wereld, de gemene grote broer van de VUCA-wereld. Waar VUCA stond voor een volatiele en onzekere, maar nog steeds enigszins voorspelbare wereld, is de nieuwe realiteit uiterst instabiel en onvoorspelbaar. BANI is een raamwerk van futuroloog Jamais Cascio en staat voor Broos, Angstig, Niet-lineair en Onbegrijpelijk (incomprehensible in het Engels; vandaar de I).

Götte: ’De broosheid van het systeem (de B in BANI) houdt in dat onze best practices en de professionele manieren waarop wij de dingen altijd deden, steeds minder effectief worden. Onze reactie is: Oooh, het mag niet instorten! Maar zolang het nog staat, houden we onszelf óók voor de gek dat er ogenschijnlijk niks aan de hand is. En ondertussen merken we steeds opnieuw: het werkt niet meer. Ook in de zorg zien we dat aan alle kanten.’ De stijgende kosten, opgeknipte verantwoordelijkheden, vergrijzing (meer patiënten, minder personeel), maar ook polarisatie en klimaatverandering maken dat ook het zorgsysteem steeds meer piept, kraakt en vastloopt.

Allemaal copingmechanismen

De A in BANI staat voor angstig. De constante onzekerheid en het gevoel de controle te verliezen, leiden tot stress en angst onder professionals. Maar de A staat ook voor argwaan. ‘En als je die argwaan helemaal doortrekt, krijg je complottheorieën. Dat zijn eigenlijk allemaal copingmechanismen voor: het is ongewis en ik vind het niet leuk. Dus mensen gaan zich verzetten. Dat hoort er gewoon bij.’

De instabiele realiteit is totaal niet meer lineair (als die dat ooit was). Oorzaak en gevolg staan steeds meer los van elkaar. Kleine acties of veranderingen kunnen disproportioneel grote en onbedoelde gevolgen hebben. Daarbij zijn er zoveel data en gebeurtenissen; het is niet meer te bevatten. We van het paradigma van ‘ingewikkeld’ zijn terechtgekomen in dat van ‘complex’. En dat maakt het onbegrijpelijk.

‘Waar VUCA stond voor een volatiele en onzekere, maar nog steeds enigszins voorspelbare wereld, Is de nieuwe realiteit uiterst instabiel en onvoorspelbaar. ’

Ingewikkeld kennen wij goed, complex veel minder

‘Besturen is ingewikkeld’, gaat Götte verder. ‘Gelukkig is ingewikkeld de competentie die wij allemaal hebben geleerd op school. Het fijne is: bij ingewikkelde zaken kun je een heldere werkwijze beschrijven en een helder resultaat boeken. Bij complexe zaken is dat niet meer zo.' Er zijn zóveel partijen, zoveel gebeurtenissen, zoveel invloeden, zoveel variabelen, zo weinig afbakening, zo weinig lineariteit dat de uitkomsten van een interventie ongewis is. 'Het resultaat van jouw handelen is van tevoren totaal onbekend,’ zegt Götte. Je kunt je dus niet meer beroepen op best practices; je moet het doen met emergente praktijken. ‘De enige weg naar voren is continu experimenteren. En iteratief te handelen: experimenteren - evalueren - en opnieuw experimenteren.’ 

Bij complexe vraagstukken heb je ruimte en openheid nodig. Plus: je werkt op basis van bijdrage. Daarmee bedoelt Götte: ‘Als ik met iets bezig ben en ik kom niet verder, is het de bedoeling dat ik vrijwillig uitstap en iemand anders, die een ander idee heeft, instapt. Dat is heel iets anders dan het coördineren van het werk zoals we tot nu toe doen: jij gaat dit doen en jij dat.’  

Niet geïnvesteerd in de onderstroom

Götte: ’Waar veel spanning op zit bij transities: als het complex wordt, zijn we als bestuurders en leidinggevenden allemaal snel geneigd ingewikkeld te doen. En wat gebeurt er op de werkvloer als mensen die midden in complexe uitdagingen staan, geconfronteerd worden met leidinggevenden die ingewikkeld doen? Onbehagen, frustratie, agressie. Er wordt hen iets verteld waarvan ze wéten dat het niet werkt. En toch moeten ze het doen.’  

‘Je kunt je niet meer beroepen op best practices; je moet het doen met emergente praktijken. ’

En terwijl we dit broze systeem al lang hadden moeten afbouwen, zegt Götte, investeren we de afgelopen jaren steeds méér tijd, geld en middelen in het overeind houden van de bestaande systemen. ‘En dat lukt ons wonderwel. Totdat het straks ineens niet meer lukt en het alsnog inklapt. Veel sneller dan had gehoeven.’ Ondertussen zijn al die tijd, geld en middelen níet geïnvesteerd in de experimentele onderstroom waar de mogelijke oplossingen van de toekomst schuilgaan. 'Op het moment dat het bestaande systeem dan daadwerkelijk inklapt en we hebben nog geen alternatieven, krijgen we systeemcrisis. Terwijl je dat eigenlijk wilt voorkomen, want dat is bijzonder ongemakkelijk. Dan krijgen we een vorm van chaos.’

Lukt het ons om te experimenteren?

De grote vraag voor ons allemaal is, volgens Götte, kunnen en willen wij experimenteren? ‘Iedereen roept heel makkelijk: experimenteren, ja leuk! Maar op het moment dat we écht gaan experimenteren, vinden we het minder leuk. We doen bijvoorbeeld een experiment en dat mislukt. Het is een geweldige poging, maar wij voelen ons mislukt.' Zie dan nog maar door te gaan op het experimentele pad. Götte stelt: ‘Wat we moeten gaan doen, is: eroderen waar we goed in zijn en wat aantrekkelijk is (het handhaven van de huidige systemen) en stimuleren wat nog ongewis is (de experimentele onderstroom). Als we dat doen, krijgen we de boel een beetje in beweging.’

Hoe we dat doen? Dat lees je hieronder. Klik de bovenste balk open. 

Onder de andere balken vind je: een toelichting op de foto boven dit artikel. En een samenvatting van elk van de workshops gehouden tijdens de Verenigingsmiddag van de VGN.

  • Okee, we zijn gewaarschuwd. Het wordt allemaal bar en BANI. Maar hoe pak je als bestuurder en leidinggevende de eerste stappen van transitie aan? Hoe begin je met het ‘eroderen van datgene waar we goed in zijn’ en het ‘stimuleren van wat ongewis is’?


    De vier fases

    De aanpak bestaat uit vier fases, stelt Götte. ‘Fase 1 is alarmisme: het urgent informeren dat de huidige situatie onhoudbaar is. Ik noem dit niet alarmistisch in de zin van: alles wordt slechter. Maar wel van: alles wordt anders. En dat is voor veel mensen al behoorlijk alarmistisch.’  

    Fase 2 is de apathie. ‘Na dit heftige nieuws, mag je even bijkomen.’ Dit is ook de fase van ontkennen, negeren, vastklampen aan kleine contra-signalen. Je hebt nu eenmaal tijd nodig om het besef van het onvermijdelijke te laten indalen. Götte: ’Binnen jullie organisatie zullen jullie vaak de eersten zijn die de alarmistische boodschap tot je krijgen. Dan hebben jullie ongeveer een halfjaartje tot een jaar nodig om dit te laten landen. En dan realiseer je je: oh, maar dit moet mijn personeel ook weten! Maar in tegenstelling tot de tijd die je zelf kreeg, krijgen de medewerkers dan na drie maanden te horen: is het nou nog niet geland? Nee, niet dus. Daarom duren transities lang. Dus mijn advies is, informeer zo snel mogelijk iedereen; dat scheelt een heleboel tijd.’ Maar, tempert Götte de verwachtingen, over het algemeen doen we dat niet. ‘We denken dat mensen het nieuws niet aankunnen, maar dat is een illusie.’

    Fase 3 is eigenaarschap. ‘En dan ben je op een gegeven moment wat meer gewend aan het idee van wat er op ons afkomt. Je kunt het niet meer verdragen dat je altijd maar "ja maar" roept. Je begint een beetje een hekel te krijgen aan je eigen standvastigheid en weerbarstigheid.’

    Vervolgens begint het écht in te dalen en beland je in fase 4: Actie. Götte: ‘De fase van: nu ga ik veranderen ondanks alles! Je zet je eerste stappen in de experimentele onderstroom.’

    De condities

    In die actiefase zijn een aantal condities cruciaal om succesvol te zijn. 'Want dit is echt expeditiewerk.'

    Oprecht verbonden aan De Bedoeling - Transitie betekent dat je moet gaan handelen vanuit een radicaal andere bedoeling, stelt Götte. ‘Want vanuit de bestaande bedoeling lopen we vast. De vraag is: kunnen jullie - directie, bestuursleden, stakeholders - het eens worden over de bedoeling? Vaak lijkt het of je het eens bent, maar zijn er toch belangrijke verschillen.' Dit vergt een uitgebreide dialoog met elkaar. 'De transitie komt alleen van de grond als jullie tot een collectief gedragen verhaal komen vanuit het hart.’  Dan kan dat verhaal werken als een richtsnoer bij moeilijke afwegingen. 

    Daarbij is het volgens Götte belangrijk dat je bereid bent ‘offervaardig’ te handelen; als individu en organisatie. ‘Wat is offervaardigheid? In transitie is het belangrijk dat je bereid bent iets wat je van waarde vindt te verlaten in het verlangen of de zoektocht naar een nieuwe waarde. Hoe dat helaas maar al te vaak uitpakt: in mijn verlangen naar een nieuwe waarde ben ik bereid iets te verlaten wat jullie van waarde vinden. Dat is iets heel anders; en dat leidt tot polarisatie. Dus als je nieuw beleid maakt, is het goed om je de vraag te stellen: wie brengt eigenlijk het offer voor dit nieuwe beleid? Wat we heel vaak doen, is het offer doordrukken naar de ander. En daar gaat het goed mis.’  

    Vitaliseren van het Ecosysteem - Voor een succesvolle transitie, is het belangrijk om te denken en te werken vanuit het hele ecosysteem. 'Je kan natuurlijk naar de transitie kijken vanuit je eigen organisatie, maar dat is te beperkt. Of als sector, maar dat is eigenlijk ook te beperkt, want je bent onderdeel van de hele samenleving.' De vraag is: lukt het je om een ecosystemisch perspectief in te voeren? 'In een vitaal ecosysteem zijn er geen kunstmatige barrières. Is jullie sector open? Nou, nee. Er zijn veel kunstmatige barrières. Een ecosysteem is ook divers. Is jullie sector divers? Het is goed om daar kritisch in te zijn. Want wij sturen in ons lineair systeem niet op diversiteit, maar op homogeniteit. Dat gebeurt onbedoeld: birds of a feather flock together. Je bent niet voor niks een sector. Je vindt het fijn om met elkaar een sector te zijn.’

    Investeren in schakelkracht - De derde conditie is schakelkracht.  Schakelkracht, om je sneller en soepeler te kunnen aanpassen. ‘Ik geef een voorbeeld aan de hand van HR-beleid. Wat is HR-beleid? De som van de personeelsdossiers leidt tot productiviteit. Of zoiets. Maar ter bevordering van de schakelkracht is het belangrijk dat HR van focus op het individu verschuift naar focus op de relatie tussen individuen. Let wel: dat is een heel nieuw vakgebied. En bezuinig vooral niet op relatie-bevorderende activiteiten, zoals personeelsuitjes en ontspanning. Want we hebben elkaar keihard nodig de komende jaren.’

    Zorgvuldig verstoren maakt weerbaar - Je kan niet weerbaar zijn als de context waarin je werkt niet meewerkt aan die weerbaarheid, stelt Götte. Als de context daar niet op wordt aangepast, komt alles terecht op het individu. 'De zelfredzame samenleving is eigenlijk een asociaal begrip. En de nieuwe term samenredzaam eigenlijk ook. We hebben wetten, kaders en systemen nodig die de samenredzame samenleving ondersteunen. Denk bijvoorbeeld aan redundantie. Sturen wij in ons personeel op ‘op formatie’ of ‘boven formatie’? Wetende dat we altijd lege plekken hebben, zitten we bij ‘op formatie' in de praktijk altijd ‘onder formatie’. Dat zorgt voor werkdruk en ziekteverzuim en ondermijnt de weerbaarheid.' 

    Dit laatste staat natuurlijk haaks op de economisch management-doctrine waarvan we zo doordrongen zijn. 'Ja, het is een andere koers dan de just-in-time, lean-and-mean principes van onze productiesamenleving, maar het is wél wat we nodig hebben.'

  • Boven dit artikel staat een foto van een menselijke toren in Tarragona. Deze spectaculaire, eeuwenoude Catalaanse traditie maakt sinds 2010 deel uit van het immaterieel cultureel erfgoed van UNESCO. Teams (colles in het Catalaans) bouwen torens (castells) die soms wel tien mensen hoog zijn.

    Het doel is een zo hoog mogelijke toren te bouwen en deze ook weer veilig af te breken. De slogan van de deelnemers is 'Força, equilibri, valor i senssatesa' (kracht, evenwicht, moed en gezond verstand). De traditie symboliseert solidariteit, teamwerk en Catalaanse trots.

    ‘Maar welke werkzame principes zie je hier aan het werk?,’ vraagt Götte. 

    • De deelnemers en alle omstanders doen het samen. De groep is veel groter dan je denkt.
    • De mensen in de toren zijn heel zorgvuldig in de afstemming. Ze zijn continu een beetje aan het dansen, met elkaar aan het calibreren. Als ze rigide in die toren zouden staan, zou de toren zeer kwetsbaar zijn.
    • De toren kent een zeer brede, stevige basis van de toren. Dat zijn niet alleen de mensen in de onderste laag van de toren, maar ook de tientallen tot honderden mensen die er schouder aan schouder omheen staan. 
    • Plus: de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.
    • De mensen in de eerste cirkel om de toren, vormen samen ook een vangnet. (Denk aan offervaardigheid.)
    • De tegenstanders (in de andere kleuren shirts) zijn muisstil. Ze hebben respect voor de poging van hun concullega. 

    'Tot zover de basis van transitiekunde,' besluit Götte.

    PS: Het zijn drie kinderen (vaak één jongen en twee meisjes) die behendig naar de top klimmen. Het allerjongste en lichtste kind (de enxaneta) klimt als laatste naar de top, steekt de hand op en klimt weer naar beneden.

  • Tijdens de workshop Ambitieus en nuchter besturen bij digitale transitie werd snel duidelijk waar het echt om draait: leiderschap in digitale transformatie is continu balanceren. Bestuurders Annelies Versteegden (Visio) en Suzanne Leijendekkers (Dichterbij) deelden hun digitale strategie, maar vooral hun dilemma’s: hoe draag je met digitalisering en digitale zorg bij aan jouw maatschappelijke opgave terwijl ICT voor jou als bestuurder misschien niet jouw specialiteit is? Of wanneer je bijvoorbeeld nog niet direct de financiële baten ziet? Hoe zet je stappen terwijl de kaders nog niet 100% zeker zijn? 

    Gevisualiseerde dilema’s

    Na de inleiding gingen aanwezige bestuurders aan de hand van gevisualiseerde dilemma’s met elkaar in gesprek. Voorbeelden van de dilemma’s die Versteegden en Leijendekkers hadden voorbereid, waren:

    • Hoe ver ga je als bestuurder in het opleggen van digitale veranderingen aan zorgprofessionals? (Waar zit jij op de schaal van sturen en loslaten?)
    • Hoe vernieuw je zonder de dagelijkse zorgprocessen te verstoren? (Ga je voor continuïteit van zorg of innovatie van zorg?)
    • Hoe benut je data optimaal zonder het vertrouwen van patiënten te schaden? (Leg je nadruk op privacy en vertrouwen of het delen van data?)
    • Hoe ga je om met het verschil tussen wat kán en wat medewerkers aankunnen? (Koers je op digitale vaardigheden of technologische mogelijkheden?)

    In de gesprekken die deze dilemma’s opleverden, werd duidelijk dat digitale transitie geen losstaand vraagstuk is, maar sterk verbonden is met andere bestuurlijke opgaven. En: besturen is eigenlijk altijd balanceren. Met als extra uitdaging dat digitalisering een relatief nieuw en vaak onbekender terrein is. Dat maakt de dilemma’s soms lastiger.

    Conclusies 

    De workshop-hosts en de deelnemers concluderen: laat je goed informeren, stel de juiste vragen (dat ben je gewend als bestuurder; heb daar vertrouwen in) en trek samen op om tot meerwaarde te komen. De kern van leiderschapsdilemma’s in de digitale transformatie van de zorg is het continu balanceren tussen stabiliteit en vernieuwing, controle en vertrouwen en technologie en menselijkheid.

  • In de workshop Scenarioplanning als tool van Olga Martens, senior beleidsadviseur arbeidszaken bij de VGN, werd besproken dat de toekomst niet vastligt en ook niet enkelvoudig is. 

    Door scenario’s te ontwikkelen, wordt onzekerheid niet gezien als een probleem dat opgelost moet worden, maar als een gegeven waarmee verstandig gewerkt kan worden. Scenario’s helpen om aannames expliciet te maken, blinde vlekken te verkleinen en keuzes robuuster te maken. In plaats van te vragen ‘wat gaat er gebeuren?’, verschuift de vraag naar ‘wat zou er kúnnen gebeuren en wat vraagt dat van ons?' 

    Deelnemers van de workshop gingen enthousiast aan de slag met scenario's die minder voorspelbare of minder gewenste toekomsten inhielden vanuit de assen ‘technologie centraal’ versus ‘technologie beperkt’ en ‘individueel’ vs ‘collectief’. 

    Het was voor sommigen lastig, maar juist waar het schuurt zitten soms die conventies die misschien ter discussie moeten staan. 

  • Thorwald Veneberg verbindt (vanuit zijn ervaring als beroepswielrenner en zijn werk bij Defensie) lessen uit topsport en militaire praktijk aan de dagelijkse realiteit van (zorg)organisaties. In deze sessie staat het team centraal: hoe bereid je je als team samen voor op onvoorspelbare omstandigheden, welke kaders bied je als leidinggevende en hoe versterk je de weerbaarheid van mensen en organisaties?

    Comfort is the killer of growth, stelt Veneberg. 'Als je alleen maar probeert in comfortabele situaties te blijven, ontneem je jezelf de kans om ook in minder comfortabele situaties te leren. (Dit geldt ook voor je kinderen!)' Oftewel: Embrace the Suck. 

    Om weerbaar te zijn, moet de basis goed zijn:

    • Voeding
    • Slaap
    • Rust
    • Voldoende beweging
    • Zingeving 

    Maar wat is weerbaarheid eigenlijk? Dat is het vermogen weerstand te bieden tegen uitdagingen, veranderingen, negatieve invloeden of tegenslagen, terwijl je je eigen grenzen bewaakt (niet verstarrend) en voor jezelf opkomt. Denk aan Kamp van Koningsbrugge: je weet niet wat je gaat doen en je weet niet hoe voor lang.

    Je grootste weerbaarheid is je netwerk. Het principe van ubuntu: ik ben, omdat wij zijn. Je kracht om andere mensen te in te schakelen. Humor is daarbij heel belangrijk!

    Weerbaarheid kent verschillende domeinen: 

    • Conceptuele weerbaarheid: training en herkenning
    • Fysieke weerbaarheid: sterke lichaamshouding en basis voor zelfbescherming
    • Mentale weerbaarheid: emoties beheersen, positief denken en snel herstellen van tegenslagen
    • Sociale/verbale weerbaarheid: duidelijk communiceren, grenzen aangeven en conflicten oplossen zonder agressie
    • Digitale weerbaarheid: omgaan met online druk of bedreigingen

    Deze componenten overlappen en versterken elkaar, wat weerbaarheid tot een holistische eigenschap maakt. 

    Weerbaarheid op de werkvloer

    Weerbaarheid train je op de werkvloer door niet zomaar instructies te geven. Mensen bij Defensie moeten het op het slagveld ook zelf kunnen. Je moet ze dus leren het zelf te doen. 'Het vermogen om professioneel om te gaan met werkdruk, conflicten, veranderingen en tegenslagen, terwijl je productief blijft en je welzijn beschermt. Het draait om veerkracht, zelfeffectiviteit en het benutten van hulpbronnen zoals steun van collega’s en leidinggevenden.'

    Er zijn systemen die de werkgever kunnen helpen, geeft Veneberg toe. 'Maar als je de werknemers te veel helpt, mis je de kans om ze te laten leren en weerbaar te worden. Voorbeeld van Defensie: er is ouderschapsverlof, er zijn flex-dagen, er is een medezeggenschapscommissie. Maar nu willen ze iets trainen 10 uur achter elkaar, maar dat kan niet omdat mensen te goed beschermd zijn (dat is mijn papa-dag etc). Terwijl we trainen voor crisissituaties. Log apparaat dus lastig te veranderen. Dan richten wij ons eerst op de mens: ben je bereid je papa-dag op te geven voor mindset 1. Ga terug naar de bedoeling.' 

    Mentale weerbaarheid

    Mentale weerbaarheid leidt tot hogere betrokkenheid, betere prestaties en lager verzuim, vooral bij hoge taakeisen. Het helpt teams veilig en effectief functioneren, zelf in crisissituaties.

    'Weerbare werknemers herstellen snel van stressoren zoals deadlines en reorganisaties door prioriteiten te stellen en kalm te blijven. Ze voelen zich competent, betekenisvol en passen zich flexibel aan onverwachte situaties aan.' 

    Hoe herstel je snel? 'Bijv. even ademhalen, rust nemen, mediteren. Hoe kom je terug in je optimale zone? Bijv. muziek om op te peppen, of juist om te ontspannen, een rustige ruimte zonder prikkels, de collegiale cirkel, gesprek met leidinggevende of psycholoog. Voor iedereen anders. Zo inrichten dat de meeste mensen de kans hebben terug te komen in de optimale zone (Yerkes-Dodson model). Dat vraagt om verschillende systemen. We vragen veel van onze mensen. Voeg niet meer stressoren toe als je al veel van ze vraag. Voeg dan juist opties toe om optimaal te herstellen.'

Deze pagina is een onderdeel van