Achtergrond

Hugo de Jonge: 'Ik ben geen groot gelovige in marktwerking'

Terwijl het Meldpunt Hervorming Langdurige Zorg van de VGN overuren draait en de Tweede Kamer nog debatteert over de transitie, werkt de gemeente Rotterdam aan een zachte landing. Waarom kan het hier wel? Wethouder De Jonge: ‘We hebben bewust gekozen voor samenwerking.’

‘Ik ben van huis uit schoolmeester’, zegt Hugo de Jonge, CDA-wethouder in Rotterdam. ‘En in allerlei rollen die ik later kreeg, op het ministerie van Onderwijs en in de Tweede Kamer, was onderwijs de rode draad. In de vorige periode van mijn wethouderschap had ik jeugd en onderwijs al in portefeuille, nu heb ik zorg erbij gekregen. Daarin gaat veel veranderen, gemeenten krijgen veel nieuwe verantwoordelijkheden. Juist in een fase waarin je met elkaar bezig bent een nieuw stelsel in te richten om zorg en ondersteuning van mensen te verbeteren, is het prachtig om daaraan leiding te mogen geven.’

Wat leveren deze extra taken een gemeente op?

‘Het levert Rotterdammers wat op, daar gaat het om! De huidige zorg en ondersteuning is zo versnipperd! Voor iedere doelgroep lijkt er andere wetgeving te bestaan, met aparte financieringsstromen en verschillende overheden die verantwoordelijk zijn. Gezinnen hebben daar last van. We gaan toe naar een situatie waarin we de zorg en ondersteuning veel eenvoudiger kunnen organiseren.’

Kent u de mensen om wie het gaat?

‘Steeds beter. Ik ruim zoveel mogelijk tijd in voor werkbezoeken. Heel tekenend voor de gehandicaptensector vind ik de toewijding waarmee wordt gewerkt. En dat in een fase waarin - ook voor de professionals – veel onzekerheid is. Zij willen de overgang naar 1 januari zo soepel mogelijk laten verlopen voor degenen die ze begeleiden. Ze hebben ook een groot geloof in wat mensen wel kunnen. Op een centrum voor dagbesteding voor mensen zag ik hoe begeleiders steeds activiteiten weten te vinden die mensen terecht het gevoel geven dat ze een bijdrage leveren. Bijvoorbeeld in het tuinonderhoud, dat functioneert bijna als een gewoon bedrijf, zij het met veel meer begeleiding dan elders natuurlijk. Op een locatie waar meubels worden gemaakt, merkte ik: iedereen die hier aan de slag is, is echt timmerman.’

Terwijl veel zorgaanbieders momenteel contact opnemen met het Meldpunt Hervorming Langdurige Zorg en de Tweede Kamerleden zich afvragen of gemeenten wel klaar zijn, spreken ASVZ, Middin en Pameijers enthousiast over de samenwerking met Rotterdam. Waarom lukt het hier wel?

‘Wij hebben van meet af aan gezegd: we gaan het samen doen met partijen die al decennia lang ervaring hebben in dit veld. Andere gemeenten hebben een sterker geloof in marktwerking in de zorg. Die vinden dat je voor vernieuwing nieuwe aanbieders nodig hebt. Ik geloof juist sterk in het samen optrekken met partijen die hebben laten zien dat zij dit belangrijke werk met veel compassie doen. Zodra we wisten met welke kortingen we als gemeente te maken krijgen, hebben we tegen aanbieders gezegd dat we die samen moeten opvangen. We hebben bewust gekozen voor een zachte landing. De komende jaren nog even geen nieuwe toetreders en rust op de bekostigingsrelatie.’

‘Ik snap wel dat de Tweede Kamer zich nu afvraagt of alle gemeenten er klaar voor zijn, maar ik vraag me, scherp gesteld, ook wel eens af of de Tweede Kamer er wel klaar voor is. Als na 1 januari ergens in het land iets niet goed loopt, rent men dan direct naar de microfoon om de staatssecretaris ter verantwoording te roepen? Of heeft de Kamer de rust en de wijsheid om te zeggen: dit moet de gemeenteraad met haar wethouder regelen. Nu de datum van 1 januari nadert, neemt overal in het land de liefde voor het huidige stelsel toe. Laten we niet vergeten dat het niet goed functioneert.’

Bent u niet bang voor schrijnende situaties in Rotterdam?

‘Schrijnende gevallen zijn er ook in het huidige stelsel. Vanuit Rotterdam vragen we al sinds 2008 om herziening van het jeugdzorgstelsel. Het is een once in a lifetime opportunity om dat opnieuw in te richten. Maar zelfs als je de transitie heel goed hebt voorbereid, kan het gebeuren dat het voor een individueel gezin niet goed uitpakt. Daarom hebben we in Rotterdam een onafhankelijk meldpunt ingericht. Mensen die zich zorgen maken kunnen daar terecht. Voor mij functioneert dat ook als graadmeter. Als er steeds meldingen binnen komen over één aanbieder, of één gebied, dan weet je dat het daar niet goed functioneert. En er is een taskforce. Als er inderdaad sprake is van schijnende situaties, dan kunnen we die direct aanpakken. Ik kan niet garanderen dat er zich geen schrijnende situaties zullen voordoen. Wel dat we ze zo snel mogelijk oplossen.’

Staat de samenwerking met bestaande zorgaanbieders vernieuwing niet in de weg?

‘Juist omdat we hebben gekozen om te werken met bestaande aanbieders, blijft de onzekerheid voor professionals beperkt en is er ruimte voor innovatie. Als mensen zich zorgen maken over hun baan, kunnen ze niet goed nadenken over vernieuwing. Daarom willen we als gemeente zo voorspelbaar mogelijk zijn.

Wat gebeurt er na de zachte landing? Gaat u dan wel nieuwe aanbieders toelaten, mogelijk zonder zorgachtergrond?

‘Op bedrijven zonder zorgachtergrond zit ik niet te wachten, ik wil ervaring. Wel vernieuwers, maar met kennis van zaken. Het is belangrijk dat aanbieders elkaar scherp houden en dat cliënten keuzevrijheid hebben, maar ik ben geen groot gelovige in marktwerking in de zorg. De grote zegeningen van een aanbestedingsmarkt, waarin aanbieders elke keer weer moeten afwachten of ze een contract krijgen, en waarin de prijs de dominante factor wordt - daar geloof ik helemaal niet in. Ik geloof dat je het behoedzaam moet doen. Op 1 januari zijn wij klaar voor de start, maar daarmee is het stelsel niet klaar. We moeten doorontwikkelen. Natuurlijk kan het gebeuren dat je op een gegeven moment afscheid moet nemen van een bestaande aanbieder, maar daarvoor moet je eerst je sturing op kwaliteit goed op orde hebben. En ook die is nog niet af, daar moeten we nog sterker in worden. En als een bepaalde innovatie met een bestaande aanbieder niet mogelijk lijkt en met een nieuwe wel, zal ik altijd kiezen voor competitie op kwaliteit, niet op prijs.’

Rotterdam bestaat uit veertien gebieden en er zijn 42 wijkteams. Hoe houdt u de regie en voorkomt u het ontstaan van ongelijkheid?

We ondersteunen alle Rotterdammers op dezelfde manier, voor de beoordeling van je zorgbehoefte maakt het niet uit waar je woont. Maar we willen wel dat de wijkteams zoveel mogelijk zelf verantwoordelijk zijn voor de ondersteuning en de doorverwijzing naar tweedelijnszorg. En we stemmen de samenstelling van dat team af op de samenstelling van de wijk.’

‘Zowel voor de jeugd als voor volwassenen, werken we volgens het uitgangspunt: één gezin, één plan, één regisseur. Als er in een gezin bijvoorbeeld behoefte is aan ondersteuning bij de opvoeding en schuldsanering, dan is er één regisseur die verantwoordelijk is voor het hele pakket. Het kan zijn dat de unit die zich bezig houdt met jeugd de andere kant erbij pakt, of andersom, maar je moet niet worden doorverwezen.’
‘Die wijkteams kunnen natuurlijk niet per 1 januari bestaan uit generalisten die op alle terreinen even goed onderlegd zijn. Maar we stellen ze wel samen uit mensen met verschillende expertise, zoals lvb, ggz en ouderenzorg. Je hebt dan geen team met generalisten maar een generalistisch team, een team dat alle kennis in huis heeft om iedereen te ondersteunen.’

De gedachte achter de Wmo was ook dat gemeenten de samenleving toegankelijker kunnen maken. Wat gaat u daaraan doen?

‘Daar zijn we al jaren mee bezig. Er is een goede club die ons daarin scherp houdt, de Vereniging Gehandicapten Rotterdam. Bij het ontwerp van het nieuwe Centraal Station zijn ze bijvoorbeeld vanaf de eerste bouwtekeningen betrokken geweest bij de vraag hoe we het zo toegankelijk mogelijk kunnen maken voor mensen die slecht zien. Hoe onze tramhaltes eruit zien, wordt met de VGR besproken. Tot en met de vraag: hoe zorgen we ervoor dat gehandicapten in Rotterdam echt kunnen meedoen? En we zijn bezig met de vorming van een brede adviesraad, waarbij we bijvoorbeeld cliëntenraden van zorgorganisaties betrekken.’

De contracten met zorgaanbieders voor 2015 zijn vaak nog erg dik. Kunnen de administratieve lasten in de toekomst omlaag?

‘We moeten er scherp op zijn dat de bureaucratie niet opkomt als zelfrijzend bakmeel, want het terugdringen ervan is één van de doelen van de transitie. Daarom richten we een taskforce op die met concrete voorbeelden komt van bureaucratie die we kunnen opruimen. Maar [i]mind you[i]: in deze periode sluiten we 335 contracten met zorginstellingen. Dat hoort allemaal bij deze fase, maar het is niet de kern van de zaak. Ik hoop eigenlijk dat cliënten zo min mogelijk van de transitie merken en zoveel mogelijk van de transformatie: zorg dichter bij huis brengen, eenvoudiger maken.’

Wat is uw advies aan zorgaanbieders?

‘Ze moeten goed aan hun mensen denken. Samen met hen de veranderingen in hun organisatie vormgeven, werken aan perspectief, ook voor henzelf. Neem mensen mee in de vernieuwingen en zorg voor scholing om te kunnen werken in een veranderende omgeving. Belangrijk is ook de communicatie met cliënten. De campagne van VWS, Hoe verandert mijn zorg?, helpt maar half. Op de website zie je helemaal niet hoe de zorg voor jou persoonlijk verandert. En misschien verandert die ook niet! De veranderingen pakken voor iedereen anders uit. We zijn daarom een eigen campagne gestart: Hebbie effe…. Het documentatiemateriaal hebben we ontwikkeld in samenwerking met de VGR. Maar belangrijker is dat de mogelijke veranderingen voor iedereen of voor ieder gezin persoonlijk worden toegelicht. Face to face, aan de keukentafel. Misschien wel twee of drie keer, in woorden die passen bij de doelgroep. Dat kan ik niet in mijn eentje. Daarvoor heb ik die duizenden mensen in de zorg nodig.’