Gevlucht naar de gehandicaptenzorg
Wat gebeurt er als mensen die uit hun eigen land gevlucht zijn, gaan werken in de zorg voor mensen met een beperking, een zorgsector die in hun eigen land niet bestaat? Bij Amarant laat project Kansrijk zien hoe statushouders als Umi Abdukar en Hatem Alsouleman niet alleen de gehandicaptenzorg versterken en kleurrijker maken, maar tegelijk hun eigen leven opnieuw opbouwen.
Als Yusuf, een twintiger met niet aangeboren hersenletsel van Somalische afkomst, al weken niet meer goed eet en kilo’s is afgevallen, is het Abdukar die daar verandering in weet te brengen. Zorgverleners van Amarant hebben van alles geprobeerd, maar ze krijgen Yusuf niet aan het eten en komen er niet achter waarom hij weigert te eten. Pas wanneer Abdukar zacht in het Somalisch tegen hem praat, begint hij weer te eten. Haar geheim? ‘Ik heb gewoon tegen hem gezegd: “Yusuf, eet maar. Slik het eten maar door”.’ Ze vertelt het met trots. ‘Misschien kwam het omdat ik Somalisch tegen hem sprak. Ik weet het niet. Maar ik was echt blij toen hij begon te eten. En nu, elke keer als collega’s hulp met hem nodig hebben, komen ze naar mij toe. Dat vind ik leuk. Zo help ik niet alleen cliënten, maar ook mijn collega’s, snap je?’
Een nieuw bestaan
Het is een mooi voorbeeld van wat Patricia Smit - Brekelmans, directeur specialistische zorg bij Amarant, de win-winsituatie noemt van het project Kansrijk. Een project waarbij statushouders in de gehandicaptenzorg komen werken. De statushouders bouwen een nieuw bestaan op, terwijl zorgorganisaties nieuw arbeidspotentieel en meer culturele diversiteit krijgen. Een persoonlijk verhaal over een statushouder die werkt bij een zorgorganisatie voor mensen met dementie, zette Smit aan het denken. Kan dat bij Amarant ook? Ze startte een wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijkheden om statushouders toe te leiden naar de gehandicaptenzorg. En gaf het daarna concreet vorm met het project Kansrijk.
Van Somalië en Syrië naar de evb‑groep
Umi Abdukar is een van die statushouders die bij Amarant werkt. Ze is geboren in Somalië en verhuisde op haar dertiende naar Oeganda. De kans op een opleiding of baan heeft ze daar nooit gehad. Nu werkt ze 3,5 jaar met mensen met een ernstige verstandelijke beperking (evb) en leerde de Nederlandse taal. Ze heeft haar mbo‑2‑certificaat op zak, volgt niveau 3 en heeft rijlessen. ‘Hier kan ik studeren, werken en doorgroeien. Daar ben ik heel blij om. In Afrika was dat echt onmogelijk.’
Ook Hatem Alsouleman heeft zijn leven zien kantelen. In Syrië werkte hij dertig jaar als tandarts, met een eigen kliniek in Damascus én een leidinggevende functie bij het ministerie van Gezondheidszorg. In Nederland moest hij opnieuw beginnen. Via een vriendin kwam hij een jaar geleden bij Amarant terecht en werkt nu als assistent-begeleider op een groep met volwassen cliënten met een ernstige verstandelijke beperking. ‘Mijn hele leven werk ik al in de zorg’, zegt hij, ‘maar de gehandicaptenzorg zoals dat hier is, kennen we niet in Syrië. Er zijn wel mensen met een handicap, maar er is geen zorg voor hen. Er zijn geen professionele organisaties waar zij naartoe kunnen of begeleiders die met hen weten om te gaan. Bij ons zorgt familie voor hen. Vaak weggestopt in huis, zodat andere mensen hen niet zien. In Syrië is er schaamte, in Nederland respect voor hen. Dat is goed.’
Abdukar geeft aan dat dit ook in Somalië en Oeganda het geval is: mensen met een beperking die hele dagen thuis op hun kamer zitten. ‘Niemand kiest ervoor om ziek te zijn’, zegt ze. ‘Maar veel mensen krijgen geen zorg. Dat vind ik heel jammer. Ik ben zo blij voor de mensen hier.’ Smit hoorde, sinds het project Kansrijk in 2023 van start ging, veel van dit soort verhalen. Het een nog schrijnender dan het andere. ‘Als je al die verhalen hoort, lijkt de zorg voor mensen met een beperking in sommige landen eerder een gunst dan een recht, terwijl het hier veel vanzelfsprekender is. Hier zoeken we naar ieders talent en inclusie.’
‘Liefdevolle aanwezigheid is een basiscompetentie, en juist daarin kunnen statushouders sterk zijn’
Eerste kennismaking met de gehandicaptenzorg
Tegen die achtergrond was de eerste kennismaking met de gehandicaptenzorg in Nederland behoorlijk spannend, vertellen Alsouleman en Abdukar. Voor Alsouleman was het vooral een cliënt die in een tentbed lag, een beeld dat hem is bijgebleven van zijn eerste dag bij Amarant. ‘We gingen kijken op de woning waar ik nu werk. Ik zag haar in een tentbed liggen. Ik dacht: dit is niet fijn voor haar.’ Pas later, toen hij de cliënten en hun verhaal leerde kennen, zag hij wat het bed oplevert aan veiligheid en rust. ‘Nu begrijp ik het. Elke cliënt heeft een speciaal programma, een dossier, een plan. Er wordt veel nagedacht over wat goed is voor hem of haar. Dat is bijzonder.’ Abdukar herinnert zich haar eerste dag bij Amarant nog goed. ‘Ik had nog nooit zoveel mensen met een handicap bij elkaar gezien, dus ik heb vooral erg goed gekeken naar de collega’s en de cliënten. Wat doen zij? Wat zeggen zij? En steeds meer, beetje bij beetje, snap ik de cliënten en de collega’s.’
De combinatie van zorg, structuur en respect maakt indruk op hen allebei. Tegelijkertijd valt hen beiden iets op: sommige cliënten krijgen maar weinig familiebezoek. Alsouleman: ‘Een van onze cliënten krijgt een uurtje per maand bezoek van familie. Soms iets meer. Dat is erg weinig. In Syrië is familie juist heel belangrijk.’ Abdukar valt hem bij: ‘Ik zie dat cliënten heel blij worden als ze weten dat familie op bezoek komt. Een cliënt zegt dan de hele dag: morgen komt mijn moeder. Hij heeft zo’n mooi gevoel dat zijn moeder de volgende dag komt.’
Taal, nabijheid en leren in de praktijk
Wie Abdukar en Alsouleman hoort praten, vergeet soms dat Nederlands nog maar kort hun werktaal is. Met name Abdukar spreekt behoorlijk goed Nederlands tijdens ons gesprek. Ze is al wat langer in Nederland dan Alsouleman en soms verduidelijkt ze een vraag voor hem. Ze vertellen dat het pittig was: een nieuw land, een nieuwe taal, een opleiding en ook nog eens aan het werk in een sector die in hun eigen land niet bestaat. ‘Nederlands is echt een moeilijke taal’, zegt Alsouleman. ‘Maar collega’s helpen goed, en we kunnen ook Engels praten.’
Smit vertelt dat bij de eerste twee groepen Kansrijkers de taaleis bewust is losgelaten. ‘We keken vanuit de cliënt: hoe belangrijk is taal voor hen? Voor mensen met een ernstig verstandelijke beperking is gesproken taal vaak ondergeschikt. Liefdevolle aanwezigheid,’ zegt ze, ‘is een basiscompetentie, en juist daarin kunnen statushouders sterk zijn, zeker gezien het grote verschil met hun land van herkomst, waar mensen met een beperking vaak buitengesloten worden. Omdat zij weten hoe het óók kan, willen ze graag iets terugdoen. Ze zijn enthousiast, gemotiveerd en kijken naar de mens.’ Als de taalvaardigheid verder is gegroeid, kunnen deelnemers ook met mensen met een licht verstandelijke beperking werken, bij wie taal een grotere rol speelt.
Abdukar: ‘Toen ik begon met de opleiding sprak ik bijna geen Nederlands. Maar mijn cliënten begrepen mij wel: ik voel wat zij nodig hebben. Ik praat met sommige cliënten met gebaren, met andere cliënten met woorden. Als ik iets niet begrijp, zeg ik: wat bedoel jij? Dan leggen ze het nog een keer uit.’ Alsouleman vertelt over Herman, een jongen met zelfverwondend en onbegrepen gedrag. ‘Herman was altijd heel onrustig. Hij sloeg zichzelf en gooide met spullen, boeken enzo. Toen hebben we hem meerzorg gegeven en zijn we veel gaan bewegen. Ik wandel veel met hem. Daar hebben we niet veel taal voor nodig. Eerst wilde hij weglopen, nu niet meer. Nu kan hij zijn energie kwijt en is hij veel rustiger.’
Alsouleman en Abdukar nemen ook hun eigen cultuur mee de woning in. Zo mogen ze graag muziek opzetten en dansen met de cliënten. Abdukar: ‘Ze zijn vijf minuten heel blij,’ lacht ze. ‘Daarna zeggen ze: “Klaar nou, doe maar uit”. Maar elke keer vragen ze weer: “Wie gaat straks dansen, wie zet de muziek aan?”’ Alsouleman valt bij: ‘Van muziek wordt bijna iedereen blij,’ zegt hij. ‘Ook daar heb je geen woorden bij nodig.’
Toch komt Amarant inmiddels terug op het volledig loslaten van de taaleis. ‘We merken dat taal richting collega’s heel belangrijk is in steeds complexere zorg. Ook voor de cliëntveiligheid. Daarom overwegen we om voor de derde groep Kansrijkers een extra taalmodule toe te voegen.’
Tekst gaat verder onder de foto.
‘Elke cliënt heeft een speciaal programma, een dossier, een plan. Er wordt veel nagedacht over wat goed is voor hem of haar. Dat is bijzonder’
Draagkracht, buddys en goede matches
Die collega’s, overigens, reageren erg enthousiast op de komst van collega’s uit een ander land. Zo vierde Abdukar dit jaar voor het eerst in haar leven carnaval op uitnodiging van collega’s en vertelt Alsouleman dat hij met collega’s regelmatig uit eten gaat. Ze voelen zich onderdeel van het team. En juist die draagkracht in het team is een van de noodzakelijke factoren om tot een succes te komen, geeft Smit aan. Net als goede begeleiding en samenwerking met gemeenten, opleidingen en vluchtelingenorganisaties. ‘Elke statushouder krijgt een buddy, die hem of haar voortdurend als een soort jobcoach bij de hand neemt. En er is altijd iemand op afstand beschikbaar waar zij een appel op kunnen doen. Het vraagt veel van de organisatie, maar er krijgen er veel voor terug.’
De deelnemers van Kansrijk worden eerst twintig weken getraind en gaan daarna pas de praktijk in. Tijdens die training worden zij bekend gemaakt met de Nederlandse zorgcultuur en de gebruiken die daarbij horen. Bijvoorbeeld het wassen van het andere geslacht. Smit: ‘Wij hebben een man gehad die dat pertinent niet wilde doen. Hij werkt nu met mensen met een licht verstandelijke beperking die hun eigen verzorging doen. Zo is het elke keer kijken naar de juiste match. Een statushouder heeft misschien niet meteen de full package, maar iemand kan groeien, als de kansen er zijn.’
Als Abdukar naar de toekomst kijkt, is die voor het eerst helder. Ze wil haar niveau 3 afronden, misschien later nog verder leren én haar rijbewijs halen. ‘Ik ga vaak blij naar huis. Daar vertel ik over mijn werk, en zo zijn ook mijn zus en mijn beste vriendin in de gehandicaptenzorg gaan werken.’ Alsouleman hoopt vooral beter Nederlands te leren en nog lang in de gehandicaptenzorg te werken. ‘Het is moeilijk werk’, zegt hij. ‘Maar als je het wilt, kun je het hier leren. Ik wil het elke dag iets beter doen dan gisteren.’
In het project Kansrijk worden opleidingen gebruikt die onderdeel zijn van het Ontwikkelpad Gehandicaptenzorg. Met de Sectorale Ontwikkelpaden, ontwikkeld door Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland, Sociaal Werk Nederland, ActiZ en de ministeries van SZW en OCW, maken we ontwikkelmogelijkheden in de zorg- en welzijnsector inzichtelijk.
Dit artikel is verschenen in Markant nummer 3 2026.