Achtergrond

Mishandeling en misbruik: ‘We hebben de feedback van anderen nodig’

Wat kun je als bestuurder doen om kindermishandeling en seksueel misbruik te verminderen? Lector Adri van Montfoort stelde die vraag in de Week van Kinderen Veilig aan drie bestuurders. ‘We zouden de aanpak van incidenten meer met elkaar kunnen delen.’

‘Het water stroomt van boven naar beneden’, zei Diana Monissen in het julinummer van Markant. ‘Daarom moeten bestuurders veiligheid bovenaan de agenda plaatsen’, vulde Aafke Scharloo aan. Beiden zijn lid van de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik, die werd ingesteld door de ministeries van Veiligheid en Justitie en VWS.

Drie  bestuurders uit de gehandicaptensector namen de handschoen op: Gertrude van den Brink van Middin, Peter Nouwens van Stichting Prisma en Han van Esch van Stichting Philadelphia Zorg. Zij debatteerden onder leiding van Adri van Montfoort, lector jeugdzorg en jeugdbeleid aan de Hogeschool Leiden. Tijdens de Week van Kinderen Veilig, die de Taskforce in november organiseerde, werd een korte film van dit debat gepubliceerd op het YouTubekanaal van Markant. Maar er werd meer gezegd.

‘Als organisatie ondersteun je de ontwikkeling en opvoeding van een kind’, begon Peter Nouwens. ‘Daar hoort aandacht voor seksualiteit bij.’

Han van Esch: ‘En als bestuurders scheppen wij de kaders. Wij beschrijven de normen die we binnen onze organisaties hanteren.’

Gertrude van den Brink: ‘Maar we moeten ook ruimte bieden aan professionals om de juiste inschatting te kunnen maken. Zeker als het gaat om seksualiteit, moeten kinderen de ruimte krijgen om te experimenteren. Als we die bij voorbaat inperken, uit angst dat er iets misgaat, creëer je het omgekeerde van wat je zou willen. Door kinderen de ruimte te geven om hun eigen behoeften te leren kennen en door ze te leren omgaan met de grenzen van anderen, maak je ze weerbaar.’

Hoe voorkom je dat een medewerker over de schreef gaat?
Van Esch: ‘Intercollegiale toetsing is daarvoor heel belangrijk. Iemand kan wel zeggen dat een bepaalde manier van aanraken bij zijn manier van begeleiden hoort, maar zodra collega’s hun wenkbrauwen gaan fronsen, klopt er iets niet. Dan is het belangrijk dat anderen zeggen: joh, wat ben jij aan het doen? Kan dat wel? Wij hebben onlangs in het zorgproces het beraad geïntroduceerd. Tussen begeleiders vinden gesprekken plaats over de casuïstiek rond één cliënt. Daarin kan ook dit soort onderwerpen aan de orde komen.’

Nouwens: ‘Wij hebben in ieder team een aandachtsfunctionaris die specifiek is geschoold op dit gebied. Geen leidinggevende, maar een vraagbaak, bij wie je voor advies terecht kunt en die in het team zaken bespreekbaar maakt.’

Van den Brink: ‘Wij hebben sinds vorig jaar een geautomatiseerd systeem voor het melden van incidenten. De afspraak is dat elk nietpluisgevoel dat te maken heeft met seksualiteit hierin wordt geuit. De manager pakt het dezelfde dag op. Een of zo nodig twee gedragsdeskundigen bieden ondersteuning. Het kan gewoon te maken hebben met taal. Laatst meldde een begeleider dat een cliënt een situatie niet leuk vond waarin een andere cliënt het woord “borsten” had gebruikt. Maar die bleek gewoon even een probleem te hebben met een bh-bandje en dat woord niet te kennen. Dan ga je die cliënten daarin ondersteunen. Grensoverschrijdend gedrag speelt zich trouwens het vaakst af tussen cliënten onderling. Vanuit onze rol als hulpverlener proberen we dan niet te praten over dader versus slachtoffer. Beide cliënten krijgen gepaste ondersteuning door een gedragskundige.’

Naast seksueel misbruik hebben we het ook over geweld. Is dat een groot probleem?
Van den Brink: ‘Bij de jeugd misschien minder dan bij volwassenen.’

Van Esch: ‘Het grootste risico loop je in groepen van cliënten met ernstige gedragsproblemen waar onder begeleiders een beheerscultuur ontstaat. Daar red je het niet mee en je moet je ook afvragen hoever je daarin wilt gaan. Als bestuur zitten we er dicht op om dat te voorkomen.’

Nouwens: ‘Als cliënten geweld gebruiken, ontbreekt vaak een alternatief. Het is een kwestie van onmacht. We proberen cliënten te leren om op een andere manier met lastige situaties om te gaan.’

Van den Brink: ‘De manier waarop we tegen de zorg aankijken heeft er ook mee te maken. Van oudsher gaan we ervan uit dat elke cliënt op vaste tijden woont, werkt en vrije tijd heeft. Vooral bij cliënten met moeilijk verstaanbaar gedrag is het goed om niet vanuit die hokjes te kijken, maar na te gaan hoe zij hun dag doorkomen. Op welke momenten raken ze geagiteerd en waarom?’

Van Esch: ‘Wij hebben alle medewerkers een communicatietraining gegeven om vaardiger te worden in het vroegtijdig in gesprek gaan met cliënten. Dat is ook handig in het gesprek met ouders en cliëntvertegenwoordigers. Maak mensen vaardiger en je de-escaleert.’

En dan is er nog seksueel misbruik en huiselijk geweld in de thuissituatie. Krijgen jullie daar vaak mee te maken?
Van den Brink: ‘Ja, want onze begeleiders worden juist ingezet in gezinnen waar deze problematiek aan de orde is. Ze proberen een opvoedingssituatie te creëren die goed genoeg is. Het is soms moeilijk om te bepalen wat dat is. Van hulpverleners hoor ik soms dat de situatie niet aan hun eigen normen voldoet, maar ze hebben te maken met ouders met een verstandelijke beperking en met kinderen waarmee vaak ook iets aan de hand is.’

Nouwens: ‘Ook onze begeleiders worstelen daarmee. Ze komen bij mensen thuis, bouwen een hulpverleningsrelatie op en krijgen dan signalen waardoor ze denken: er is iets niet pluis. Wat doe je dan? De signalen zijn vaak onduidelijk en de begeleiders willen de vertrouwensrelatie in stand houden. Er is een grote behoefte om zulke situaties in intervisie met elkaar te bespreken. En ongewenste situaties melden we bij het AMK (Advies en Meldpunt Kindermishandeling, red.).’

Van Esch: ‘Wij hebben een e-learning opgezet die alle medewerkers verplicht volgen. Daardoor weten ze hoe ze moeten handelen bij signalen van mishandeling of misbruik. Maar je blijft zitten met het dilemma van de dubbele relatie. Als hulpverlener wil je graag dat je ouders kunt ondersteunen in hun rol als opvoeder. Zodra je zegt: nu wordt het onverantwoord, hier ligt een grens, sluit je de hulpverlenersrelatie eigenlijk af.’

Nouwens: ‘Dat klopt. Onze hulpverleners blijven heel lang hopen dat het goed gaat met de kinderen en de ouders.’

Van den Brink: ‘Men wil altijd vooruitgang zien. Dat houdt hulpverleners op de been en het houdt de relatie gaande. Elk stapje vooruit wordt bejubeld. Dan is het moeilijk om te zeggen: hier trekken we een streep, dit gaan we melden.’

Nouwens: ‘Ook hier speelt onmacht vaak een rol. Als je ouders met een verstandelijke beperking alternatief opvoedingsgedrag aanleert, dan komt het voor dat de opvoeding verbetert en de kinderen thuis kunnen blijven. We hanteren daarbij methoden, zoals Multi Systeem Therapie, waarvan is bewezen dat ze effectief zijn.’

Van den Brink: ‘Wij zijn ook op zoek naar nieuwe mogelijkheden om begeleiding thuis te combineren met kortdurende residentiële zorg. Dan raakt het kind niet geïnstitutionaliseerd en je hebt even adempauze voor het gezin, waarin we het ook iets kunnen leren.’

Hoe willen jullie de aanpak van kindermishandeling en seksueel misbruik binnen jullie organisaties verder verbeteren?
Van den Brink: ‘Wat bij ons goed gaat is het melden van incidenten of vermoedens daarvan. Daarna worden ze ook goed opgepakt. Maar we zouden naar iedere casus ook achteraf nog eens kunnen kijken: hoe verliep het proces en wat kunnen we daar als organisatie nog uit leren?’

Nouwens: ‘Wij zouden op basis van risico-inventarisaties nog meer kunnen komen tot preventief beleid. Ik wil een actieplan opstellen waaraan we de komende jaren gaan werken, om potentiële risicofactoren beter onder controle te krijgen.’

Van Esch: ‘Wij hebben de systeemkant goed op orde. We laten bij een incident onderzoek doen naar de omstandigheden waarin het zich heeft voorgedaan. Wat kunnen we daarvan leren om onszelf te verbeteren? Calamiteiten laten we onderzoeken door een externe onderzoekscommissie. De uitkomsten bespreken we zowel op de locatie waar de cliënt woont, als in het overleg met alle directeuren. Maar de cultuurkant blijft een aandachtspunt. Hoe ondersteun je medewerkers, zeker als sprake is van handelingsverlegenheid? Want die is er al snel op een onderwerp dat toch precair is. Voor mij is de uitdaging om als organisatie de medewerkers kennis en vaardigheden mee te geven waarmee ze zelf adequaat kunnen reageren.’

En wat moet de gehandicaptensector gezamenlijk oppakken?
Van den Brink: ‘We moeten aandacht vragen voor de veiligheidsparadox. Door alle maatschappelijke aandacht die er is voor kindermishandeling en seksueel misbruik kan de neiging ontstaan om heel voorzichtig te worden. Terwijl we weten dat kinderen om weerbaar te worden ruimte moeten krijgen om ervaringen op te doen.’

Van Esch: ‘Het zou goed zijn als we als sector een verzameling maken van dilemma’s waarmee we te maken hebben. Gewoon door een aantal casussen te beschrijven, met de juridische en morele grenzen die eraan zijn verbonden. Hoe kunnen we die aanpakken? Daarnaast zouden we de aanpak van incidenten meer met elkaar kunnen delen.’

Van den Brink: ‘We zijn allemaal bang geworden voor incidenten. En we zijn blij als ze zich niet bij ons voordoen. Terwijl we allemaal te maken hebben met de ingewikkelde dilemma’s.’

Nouwens: ‘Daar kunnen we als sector veel meer aandacht voor vragen. Niet alleen onze medewerkers worstelen met dilemma’s, wij ook. Wij zijn maar een stukje van een grotere samenleving, de feedback van anderen hebben we hard nodig.’

De film over het debat is te zien op youtube.com/tijdschriftmarkant

Deze pagina is een onderdeel van: