Roel Kooijmans: ‘Vertrouw erop dat mensen zélf hun verhaal kunnen vertellen’
Mensen met een verstandelijke beperking kunnen veel vaker zélf vertellen wat ze denken, voelen en nodig hebben, dan wordt gedacht, heeft onderzoeker Roel Kooijmans ontdekt. ‘Ze staan te trappelen om mee te praten over wat zij nodig hebben.’
1. Waarom wilde je juist dit onderzoeken?
‘In de praktijk zie je dat vragenlijsten om te achterhalen wat iemand denkt, voelt en nodig heeft, vaak te ingewikkeld zijn voor mensen met een lichte of matige verstandelijke beperking om zélf in te vullen. Daardoor worden antwoorden meestal opgehaald bij begeleiders, ouders of andere naasten. Niet uit onwil, maar omdat professionals denken dat cliënten het zelf niet kunnen.
Mijn ervaring als psycholoog én in de cliëntenraad van Koraal-locatie De Hondsberg laat zien dat jongeren dit heel goed zelf kunnen, als je de vragen maar op een goede en eenvoudige manier stelt. Daar komt bij: mensen met een verstandelijke beperking hebben het recht om hun eigen mening te geven.
Mede aangespoord door mijn promotor Xavier Moonen wilde ik wetenschappelijk onderzoeken wat er nodig is om de mensen zelf aan het woord te laten, in plaats van te blijven varen op gevoel. Het onderzoek richt zich op de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat mensen met een lichte of matige verstandelijke beperking zélf vragenlijsten kunnen invullen. Of zelf in interviews kunnen vertellen wat zij belangrijk vinden.’
2. Wat ontdekte je tijdens je onderzoek?
‘Een brede literatuurstudie bracht verschillende witte vlekken aan het licht. Twee daarvan heb ik verder onderzocht: beïnvloeding bij het invullen van vragenlijsten en het gebruik van plaatjes bij teksten. In de praktijk zagen we dat jongeren meer positieve antwoorden geven als ze samen met een begeleider een vragenlijst invullen. Ze vinden het dan lastig om eerlijk te zijn. Daarom is het belangrijk dat ze zoveel mogelijk zelfstandig kunnen invullen. Óf hulp krijgen van iemand die ze zelf kiezen en die niet direct met hun zorg te maken heeft.
Het tweede onderwerp was het gebruik van afbeeldingen. Vaak denken we dat plaatjes helpen bij het begrijpen van teksten. Wat blijkt? Plaatjes voegen meestal weinig toe als je eenvoudige taal gebruikt. Ze kunnen zelfs verwarrend zijn, zo blijkt uit onderzoeken die we vonden. Een belangrijke tip is daarom: test altijd of een plaatje klopt bij de tekst en doe dat samen met de doelgroep.’
3. Wat is het meest verrassende inzicht?
‘Voor mij persoonlijk: het inzicht dat technische verbeteringen, zoals betere vragen of mooiere instrumenten, maar een deel van het verhaal zijn. Het succes hangt veel meer af van de bereidheid van professionals om cliënten echt te betrekken. En vertrouwen te hebben dat ze kunnen vertellen wat ze vinden en voelen. Na dit onderzoek kan ik nog overtuigender zeggen: probeer het! Vraag het iedereen. Je zult versteld staan van wat mensen zelf kunnen als je het goed aanpakt.’
4. Hoe maakt jouw onderzoek verschil in de praktijk?
‘We hebben een praktische handreiking gemaakt over beïnvloeding bij vragenlijsten en hoe je dat zoveel mogelijk kunt voorkomen. Die handreiking verspreiden we via congressen, symposia en kennisplatforms, zodat de inzichten langzaam maar zeker de praktijk in stromen. De afgelopen jaren zijn verschillende vragenlijsten ontwikkeld waarbij mijn onderzoek of handreiking is gebruikt.
Binnen Koraal ontwikkelden we zelf twee instrumenten waar ik trots op ben. Zoals Mijn Mening, een instrument dat mensen met een verstandelijke beperking helpt om zelf aan te geven hoe zij de kwaliteit van de zorg ervaren. En ook de TIC-Y (Trauma Informed Care – Youth Evaluation). Dat is een vragenlijst voor jongeren die het leefklimaat in hun woongroep meet, vanuit hun eigen perspectief. Het doel is dat jongeren daarna zelf met hun begeleiders in gesprek gaan over de uitkomsten.
De gesprekken die daaruit ontstaan zijn waardevol. Soms ontstaat er binnen woongroepen een sfeer van wij tegen zij. Als je in gesprek gaat aan de hand van de resultaten uit de TIC-Y, dan zie je dat jongeren en begeleiders veel gemeenschappelijks hebben. Van verdeeldheid naar gedeeldheid. Het instrument helpt om samen afspraken te maken en verantwoordelijkheid te delen.’
5. Wat raakte je in de gesprekken die je voerde?
‘Wat mij vooral trof, is dat iedereen vanuit goede bedoelingen handelt. Professionals die denken dat iemand iets niet zelf kan, willen vooral beschermen. Ouders zitten vaak tussen zorg en loslaten in. Maar het meest opvallend is hoe enorm graag mensen met een verstandelijke beperking zelf hun mening willen geven. In de focusgroepen die ik hield, was er niemand die niet wilde meedoen. Ze vonden het juist fantastisch dat er naar hen werd geluisterd en stonden te trappelen om mee te doen.
Tegelijkertijd zijn professionals soms onzeker: ze willen wel, maar weten niet goed hoe. Daarom is het zo belangrijk dat organisaties het belang van participatie breed uitdragen, van bestuur tot werkvloer. Mensen met een beperking zijn daarvoor de beste ambassadeurs. Wanneer zij vertellen hoe belangrijk het is dat er naar hen geluisterd wordt, maakt dat veel meer indruk dan wanneer ik dat als onderzoeker zeg.’
6. Wat hoop je dat er verandert door jouw onderzoek?
‘In de kern: dat mensen met een verstandelijke beperking veel meer vertrouwen krijgen. En ook dat we allemaal beter snappen dat er verschillen zijn in begrip, perceptie en beleving. Maar dat het ene perspectief net zo waardevol is als het andere. Ook als je twijfelt aan de validiteit daarvan. Dat de mens die je onderzoekt een gelijkwaardige partner is. Dat zou ik willen stimuleren. Dichter bij elkaar komen en beter op elkaar aansluiten. Wij moeten daar moeite voor doen: de professionals. Dat is niet een kwestie dat je daarbij alle twee water bij de wijn moet doen. Nee, dat is ónze verantwoordelijkheid. Als mensen met een verstandelijke beperking het niet op jouw voorwaarden snappen, dan moet je je voorwaarden aanpassen.’
Dit artikel komt uit de eerste editie van Markant 2026.