Nieuws

Hoe Cordaan omgaat met regionale coronamaatregelen en een mondkapjesplicht

persoon heeft een mondkapje op

​​​​​​​‘Omdat we lokaal goed zicht hebben op nieuwe besmettingen, nemen we ook dáár de maatregelen.’ Met die woorden kondigde minister De Jonge begin augustus aan dat veiligheidsregio’s ruimte krijgen om op lokaal niveau coronabeleid te maken. Dit leidde in de regio Amsterdam-Amstelland tot aanvullende maatregelen. Eén daarvan is ‘het standaard gebruik van medische mondneusmaskers in de langdurige zorg, de gehandicaptenzorg en de thuiszorg’. Tijdens een vraaggesprek met Gerda van der Meer, directeur Werk en Dagbesteding en Wonen met Begeleiding van Cordaan, wordt duidelijk hoe gehandicaptenzorginstellingen omgaan met dit beleid. 

De Amsterdamse gehandicaptenzorginstellingen waren de eersten van Nederland die te kampen kregen met regionale maatregelen. Bij Cordaan, een van de grootste aanbieders uit de regio, draagt tegenwoordig iedereen een mondkapje zodra anderhalve meter afstand niet mogelijk is. ‘Eerder was dat alleen zo als een medewerker langer dan een kwartier binnen die anderhalve meter kwam,’ zegt Gerda. ‘Maar nu hebben we dit gewijzigd naar: altijd het mondkapje op als je dichtbij moet komen, hoe kort het contact ook is.’

Femke Halsema maakte in een brief bekend dat Amsterdamse gehandicaptenzorginstellingen standaard mondneusmaskers moeten gebruiken. Weten jullie hoe dat beleid is ontstaan?

‘Dat is in samenwerking met ons gebeurd. Er is voortdurend afstemming over beleidskeuzes tussen de gemeente, de GGD en zorgaanbieders. Daarbij kunnen zorgaanbieders een belangrijke en richtinggevende stem hebben als het gaat om het regionaal beleid rondom de langdurige zorg. Op dit specifieke punt leidde ons standpunt tot deze maatregel.’

‘Door de kans op besmetting zo klein mogelijk te maken, willen we de druk op het personeel verminderen en de bezetting op orde houden. Stel: een medewerker is binnen de anderhalve meter geweest van iemand die besmet blijkt, dan zal diegene ook een test aanvragen. Vervolgens krijg je de quarantaineplicht. Zelfs als diegene niet positief getest is, zorgt dit voor veel onrust en veel uitval van personeel. Daarom draagt iedereen hier nu standaard een mondkapje.’

En zie je ook effecten van dit beleid?

‘Bij ons wel. Het is wel essentieel dat medewerkers zich heel trouw aan de maatregelen houden. Zo kunnen we voorkomen dat, als er toch een medewerker besmet raakt, niet direct een heel team uitvalt. Of een hele locatie in quarantaine moet. Bij ons gaat het nu daarom goed; er is momenteel geen enkele cliënt met een verstandelijke beperking besmet.’

Hoe communiceren jullie naar de organisatie, zodat iedereen de maatregelen kent en begrijpt?

‘Met medewerkers communiceren via allerlei kanalen, waaronder ons intranet, nieuwsbrieven voor leidinggevenden en medewerkers en de specifieke informatie voor cliënten. Daarnaast hebben we in het crisisteam een delegatie van elk managementteam, dat informatie meeneemt naar de locaties en andere teams. Ook is er na het crisisteamoverleg een nieuwsbrief op domeinniveau, waardoor maatregelen ook in een grote organisatie als Cordaan voor iedereen herkenbaar zijn.

‘Met cliënten en verwanten communiceren we via een aparte nieuwsbrief, via Facebook, de digi-dagbesteding (Cordaan Bij Jou Thuis) en in de medezeggenschapsraden. Maar het belangrijkste contact verloopt via de medewerkers en managers ter plaatse. Dat gaat op iedere plek anders. Zo geeft één van de managers na elk crisisteamoverleg zijn eigen ‘persconferentie’ voor medewerkers en cliënten op die locatie. Dat werkt heel goed.’

Staat men ook achter het besluit om standaard mondkapjes te dragen? Draagt het bijvoorbeeld bij aan het veiligheidsgevoel?

‘Dat is heel dubbel: medewerkers wilden het in het begin van de crisis heel graag, toen er nog te weinig beschikbaar was. Nu het breed beschikbaar en opgelegd is, is nog steeds een groot deel van de medewerkers daar blij mee, maar veel van hen vinden het onhandig. De meeste cliënten zijn inmiddels gewend aan deze nieuwe realiteit. Maar er is ook een groep die er niet aan zal wennen. Bijvoorbeeld mensen met moeilijk verstaanbaar gedrag, maar ook mensen met een EMB die het vertrouwde gezicht van hun begeleider niet herkennen.’

Hoe gaan jullie daar dan mee om?

‘Een one-size-fits-all oplossing bestaat natuurlijk niet. Dus dan gaan we kijken wat er mogelijk en nodig is per groep, per locatie en soms zelfs per persoon. Als het mondkapje écht niet werkt, is er ook een alternatief PBM beschikbaar, namelijk het face shield. Nadeel daarvan is dat dit minder bescherming biedt.’

Als er geen one-size-fits-all oplossing is, hoe maak je dan de afweging om uitzonderingen te maken? Hoe maak je dat onderscheid tussen groepen?

‘Dat is ontzettend lastig, maar we hebben geleerd van de eerste fase. Om een voorbeeld te geven: in de piekperiode zijn we gesloten geweest, maar we zijn relatief al snel weer open gegaan. Zeker voor schrijnende gevallen startte de dagbesteding weer op. De teammanager speelde daarin een belangrijke rol. Onze beleidsadviseurs helpen maatwerk te leveren door een duidelijk afwegingskader te formuleren en heldere protocollen op te stellen. Ten slotte hebben we een zogenoemd moreel beraad, waarin een delegatie van medewerkers, managers en leidinggevenden samen in gesprek gaan over ethische dilemma’s. Dat instrument zetten we nu geregeld in.’

En hoe bereiden jullie je nu voor op de aankomende fase? Is er een opschalingsplan voor als er weer een forse uitbraak volgt?

‘Jazeker, dat hebben we opgesteld in overeenstemming met regionale partners. Ons bestuur zit zelf in het ROAZ en daarnaast is er een regionaal overleg vanuit de provincie Noord Holland. Zaken als het noodplan, potentiële COVID-units en de crisisketen spreken we dus regionaal af. We zorgen dat we zo goed mogelijk zijn aangesloten bij de regionale structuur, want je moet het samen doen.’

Wat zijn wat jullie betreft de belangrijkste lessen?

‘De inspraak van cliënten en verwanten was in het begin echt onvoldoende. Dat moet beter: er moet altijd een vertegenwoordiger van cliënten en verwanten aan tafel zitten. Niet alleen op locatieniveau, maar ook bij bestuursoverleggen en in de crisisteams. Een tweede belangrijke les is dat het nooit meer zo mag zijn dat we een puur medisch besluit nemen. Leidinggevenden moeten het medische advies ter harte nemen en vervolgens – in samenspraak met cliënten, verwanten en medewerkers – een weloverwogen beleid maken. Dat doet veel meer recht aan de individuele situatie van cliënten. Dit zijn twee dingen waar wij aan werken en waar alle gehandicaptenzorgorganisaties mee aan de slag zullen moeten, denk ik. Daarmee kan je je het beste voorbereiden op nieuwe uitbraken of verzwarende maatregelen.’