Nieuws

Tijdelijke subsidieregeling extramurale behandeling blijft tot 2019 van kracht.

Geld

Minister Schippers en staatssecretaris Van Rijn hebben op 14 februari 2017 gereageerd op het advies van het Zorginstituut over de overheveling van extramurale behandeling naar de Zvw. Het Zorginstituut concludeerde dat deze vorm van behandeling in de Zvw past. De bewindslieden staan hier positief tegenover, maar concluderen dat er eerst nog veel zorgprogramma’s moeten worden gemaakt en dat de NZa nog een advies moet geven over de bekostiging. Dit is per 2018 niet klaar en daarom blijft de subsidieregeling nog een jaar van kracht.

In november informeerden we u over het advies van het Zorginstituut. Het ministerie heeft nu gereageerd. De bewindslieden delen de opvatting van het Zorginstituut dat extramurale behandeling gekwalificeerd kan worden als geneeskundige zorg en ze constateren dat hier sprake is van mogelijkheden voor aanvullende geneeskundige zorg voor kwetsbare mensen die nog thuis wonen, welke zorg als integraal onderdeel van de overige zorg in de eerste lijn geleverd moet worden. Deze kwetsbare mensen voldoen qua zorgbehoefte niet aan de criteria van de Wlz, maar hebben wel behoefte aan de in het advies genoemde geneeskundige zorg om beter te kunnen functioneren. Dit betreft een aantal specifieke doelgroepen: 1. mensen met degeneratieve, progressieve ziekten, 2. ouderen met somatische en lichamelijke chronische/complexe zorgvragen, 3. mensen met niet-aangeboren hersenletsel en 4. mensen met een verstandelijke beperking.

In het pakketadvies van het Zorginstituut staat dit uitgebreid beschreven. VWS stelt voor om vanaf heden te spreken over ‘aanvullende geneeskundige zorg voor specifieke doelgroepen in de eerste lijn’. Deze aanvullende zorg zal dan geplaatst worden binnen de Zvw.

Voor het zover is, moet er nog veel gebeuren. Met name de beroepsgroepen moeten zorgprogramma’s gaan beschrijven. VWS stelt (in lijn met het Zorginstituut) dat voor een goede multidisciplinaire zorgverlening per aandoening een beschrijving van de ‘goede zorg’ nodig is. Veel van deze zorg is (volgens het Zorginstituut) weliswaar op het niveau van de instelling beschreven, maar deze beschrijvingen zijn niet altijd gezamenlijk met de betrokken beroepsgroepen opgesteld. Positieve uitzonderingen zijn volgens VWS en Zorginstituut de beschrijvingen van de zorg voor de ziekte van Huntington en voor niet aangeboren hersenletsel (NAH, ‘Hersenz’). De minister schrijft: “De primaire verantwoordelijkheid voor het opstellen van zorgprogramma’s ligt bij beroepsgroepen. Wij zullen het Zorginstituut een opdracht geven om hierbij een ondersteunende rol te spelen” en: “Een belangrijke vervolgstap is dat wij de NZa gaan vragen om een advies over de wijze van bekostiging van deze aanvullende geneeskundige zorg aan specifieke doelgroepen in de eerste lijn. De NZa zal daarbij ook aandacht hebben voor de bekostiging van de specialist ouderengeneeskunde en de arts verstandelijk gehandicapten. De NZa zal tevens worden gevraagd om te adviseren over de bekostiging van multidisciplinaire zorgprogramma’s als beschreven in het pakketadvies van het Zorginstituut. De NZa zal worden verzocht dit advies in 2017 op te leveren”.

De vervolgstappen van het Zorginstituut en de NZa leveren bouwstenen voor definitieve besluitvorming over het tijdstip en de wijze van positionering van deze geneeskundige zorg onder de Zvw. Deze definitieve besluitvorming laat de minister aan een nieuw kabinet. Tot 1 januari 2019 wordt daarom deze geneeskundige zorg nog bekostigd via de tijdelijke subsidieregeling.

Reactie van de VGN: de VGN stond positief tegenover deze overheveling naar de Zvw, maar stelde wel een aantal randvoorwaarden. Zie ons artikel van november. Daarin stelden we reeds dat het vele werk niet tijdig klaar zou zijn en dat dat zou moeten leiden tot een verlenging van de subsidieregeling. Ook is de VGN verheugd dat de door Hersenz beschreven zorgprogramma’s in de Kamerbrief als een duidelijk voorbeeld voor anderen worden neergezet.

Voor de vervolgstappen zijn nu primair de beroepsorganisaties, het Zorginstituut en de NZa aan zet. De VGN heeft aangegeven de beroepsorganisaties te willen helpen. Daarnaast is er een relatie met het komende advies van het Zorginstituut over de positionering van de behandeling in de Wlz. Extramurale behandeling en behandeling in de Wlz hangen in onze sector nauw met elkaar samen. Uiteindelijk zal het bestuur dan ook beide trajecten in samenhang beoordelen.

De brief van de minister en de staatssecretaris voegen we als bijlage bij.

Voor vragen kunt u zich richten tot Tineke Donga (tdonga@vgn.nl) of Frits Mul (fmul@vgn.nl).

Deze pagina is een onderdeel van: