Nieuws

Wijziging uitleg Ragetlie-regel door Hoge Raad

De Hoge Raad heeft in 2013 een belangrijke uitspraak gedaan over de ontslagbescherming van een werknemer die na opzegging van zijn arbeidsovereenkomst  voor onbepaalde tijd binnen drie maanden weer terug is gekeerd bij zijn oude werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In deze uitspraak oordeelde de Hoge Raad dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet van rechtswege is geëindigd maar dat hiervoor opzegging is vereist. De uitspraak is gebaseerd op de uitleg van de zogenaamde Ragetlie-regel.

In de praktijk kan het voorkomen dat een werknemer eerst een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft en kort na beëindiging van deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd een tijdelijke arbeidsovereenkomst krijgt. De vraag is dan of deze tijdelijke arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt. In het Burgerlijk Wetboek (BW) is hierover een bepaling opgenomen (artikel 7:667 lid 4 BW) die aangeeft dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die binnen drie maanden volgt op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, moet worden opgezegd en dus niet van rechtswege eindigt, tenzij:

  • de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is geëindigd door rechtsgeldige opzegging of door ontbinding door de rechter; of
  • de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een (wezenlijk) andere functie betreft dan wel wat betreft de (secundaire) arbeidsvoorwaarden te zeer van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd verschilt.

Door de Hoge Raad is nu bepaald dat er geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging indien de werknemer de arbeidsovereenkomst zelf opzegt.

Uitspraak Hoge Raad

In de situatie die voorlag bij de Hoge Raad had de werknemer zijn arbeidsovereenkomst zelf opgezegd om in dienst te treden bij een andere werkgever. Na een aantal weken kreeg de werknemer spijt van zijn overstap en keerde daarom terug naar zijn oude werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar. Deze arbeidsovereenkomst is nogmaals voor een jaar verlengd maar is daarna geëindigd.

Anders dan het hof oordeelde de Hoge Raad dat de opzegging door de werknemer geen ‘rechtsgeldige opzegging’ is in de zin van artikel 7:667 lid 4 BW. De Hoge Raad overweegt daarbij dat uit de toelichting op artikel 7:667 lid 4 BW volgt dat de wetgever de eis van opzegging heeft gehandhaafd voor het geval van beëindiging ‘anders dan door rechtsgeldige opzegging of ontbinding door de rechter’, omdat bij die beëindiging de bij de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaande ontslagbescherming niet ‘gerealiseerd’ is, dat wil zeggen geen toetsing van het ontslag heeft plaatsgevonden door het UWV dan wel door de rechter. Het strookt dan ook met de ratio van artikel 7:667 lid 4 BW om onder ‘rechtsgeldige opzegging’ in die bepaling niet te verstaan een opzegging door de werknemer. Bij die opzegging vindt immers geen toetsing van het ontslag plaats.

Voorheen was de Ragetlie-regel alleen van toepassing op arbeidscontracten die met wederzijds goedvinden waren beëindigd. Door de uitspraak van de Hoge Raad geldt de regel nu ook als de werknemer zelf zijn contract opzegt maar binnen drie maanden terugkeert bij de werkgever.

Samengevat

Op basis van de uitspraak van de Hoge Raad eindigt een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die volgt op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd alleen van rechtswege indien:
1. er meer dan drie maanden tussen de twee arbeidsovereenkomsten heeft gezeten;
2. de identiteit van de werkzaamheden dusdanig anders is wat betreft de overeengekomen arbeid, het salaris en overige arbeidsvoorwaarden;
3. de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is opgezegd met een ontslagvergunning van het UWV of door de kantonrechter is ontbonden.

Klik hier voor de uitspraak van de Hoge Raad.

Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met de CAO-helpdesk van de VGN, tel. 030-27 39 719 (ma. t/m vrij. van 09.00 tot 12.00 uur) of via e-mail caohelpdesk@vgn.nl (s.v.p. met vermelding van uw telefoonnummer).

Deze pagina is een onderdeel van: