FAQ

Veelgestelde vragen over het coronavirus

Algemeen: het is belangrijk dat zorgaanbieders in de gehandicaptenzorg de adviezen of aanwijzingen van de GGD en het RIVM overnemen. De GGD is in geval van een besmetting het eerste aanspreekpunt voor zorgaanbieders.

Tekstalternatief

Hieronder vindt u veelgestelde vragen. U vindt hier antwoorden op algemene vragen over de gevolgen van het coronavirus en op vragen over arbeidsvoorwaarden.

Vragen over vaccineren

Vragen over waar informatie over vaccineren te vinden is

Waar vind ik de meest actuele informatie over vaccineren?

Vragen over vaccinatie

Ik ben als zorgmedewerker eerder niet ingegaan op mijn uitnodiging voor vaccinatie. Nu wil ik toch gevaccineerd worden. Hoe kan ik een afspraak maken?

Heeft u een uitnodiging ontvangen? Dan kunt u digitaal of telefonisch een afspraak maken afspraak maken bij de GGD. Kijk voor meer informatie over het maken van een afspraak op Hoe maak ik een afspraak voor vaccinatie tegen corona? op Rijksoverheid.nl

Ik heb vragen over de werking van de vaccins, contra-indicaties, wel/niet vaccinatie bij zwangerschap en bijwerkingen, waar kan ik antwoorden vinden?

Op deze RIVM webpagina leest u over de veiligheid van de coronavaccins.

Via deze link kunt u Vragen en antwoorden coronavaccins van het RIVM over vaccins, werkzaamheid, bijwerkingen, ziekte, medicijnen en behandelingen, en zwangerschap vinden.

Korte eenvoudige digitale vaccininformatie factsheets van de vaccins:

Als u zich zorgen maakt over de contra-indicaties dan kunt u dit bespreken met uw huisarts.

Daarnaast is er een publieksinformatienummer 0800 – 1351 (tussen 08:00 en 20:00 uur) waar u heen kan bellen als u vragen heeft over het coronavirus.

(07-07-2021)

Wanneer is welke groep cliënten in de gehandicaptenzorg aan de beurt voor corona vaccinatie?

Op de website van de Rijksoverheid staat de actuele volgorde beschreven van vaccinatie voor mensen die niet in de zorg werken.

Omdat er steeds meer data bekend worden gemaakt van start van vaccinatie van een bepaalde doelgroep herhalen wij de data niet in dit antwoord. De actuele data van de start van vaccinatie staat in de eerdergenoemde link. Het betreft telkens een ‘vanaf’ datum, dit houdt in dat vanaf die datum de eerste mensen binnen die doelgroep gevaccineerd worden.

Bij bewoners van een instelling voor gehandicaptenzorg kan het zijn dat het vaccinatietraject voor de ene cliënt anders verloopt dan voor de andere cliënt. Het kan dus zijn dat cliënten wonend in één groep op een verschillend moment gevaccineerd worden. Dit is afhankelijk of de instellingsarts of de huisarts verantwoordelijk is voor de vaccinatie en tot welke doelgroep de cliënt behoort.

Via deze link komt u bij de webpagina van de Rijksoverheid met de volgorde van vaccinatie bij de gehele bevolking van Nederland.

Bekijk ook het overzicht “Wie wordt wanneer gevaccineerd?” van de Rijksoverheid voor de volgorde van vaccinatie. Kijk op www.coronavaccinatie.nl voor de meest actuele informatie over wie wanneer aan de beurt is.

De volgorde en snelheid van vaccinatie is afhankelijk van onder andere:

  • goedkeuring van de vaccins;
  • de werking van de vaccins;
  • levering en distributie van de vaccins;
  • of mensen zich laten vaccineren.

Vragen en antwoorden over de volgorde van vaccinatie staan hier.

De Kamerbrief van 2 februari geeft ook meer informatie over de volgorde van vaccinatie voor cliënten. Let op dat de vaccinatiestrategie kan veranderen aan de hand van nieuwe inzichten en de informatie uit de kamerbrief van 2 februari kan verouderen

(01-04-2021)

Wanneer zijn thuiswonende cliënten aan de beurt voor vaccinatie?

Thuiswonende cliënten zijn cliënten die alleen ambulante hulp en/of dagbesteding ontvangen.

Thuiswonende cliënten zullen onder verschillende doelgroepen vallen die op verschillende momenten aan de beurt zijn voor vaccinatie tegen het coronavirus. De volgorde van vaccinatie voor mensen die niet in de zorg werken wordt op deze webpagina van de Rijksoverheid gegeven. De COVID-19 vaccinatie wordt in principe aangeboden op leeftijd: van oud naar jong (met uitzondering van het zorgpersoneel). Dit omdat het risico op een slecht beloop en sterfte door COVID-19 toeneemt met het stijgen van de leeftijd: het risico is sterk verhoogd bij mensen boven de 60 jaar en neemt verder toe bij een hogere leeftijd. Dit betekent dat een deel van de thuiswonende cliënten onder het reguliere traject valt. Het Overzicht “Wie wordt wanneer gevaccineerd?” van de Rijksoverheid geeft een duiding wanneer welke groep ongeveer aan de beurt is in 2021. Voor de meeste mensen is nog niet precies te zeggen wanneer zij aan de beurt zijn voor hun prik tegen corona. De planning kan nog veranderen. Bijvoorbeeld als een vaccin niet op tijd geleverd wordt. Wat we nu weten op basis van de informatie van de Rijksoverheid is het volgende:

Mogelijke doelgroepen waaronder thuiswonend of zelfstandig wonende cliënten vallen zijn:

  • 18 jaar tot 60 jaar (van oud naar jong)
  • 18 jaar en ouder uit medische hoog risicogroepen
  • 18 tot 60 jaar uit andere medische risicogroepen
  • Mobiele thuiswonenden vanaf 65 jaar (van oud naar jong)
  • Niet-mobiele thuiswonende vanaf 65 jaar (van oud naar jong)
  • Thuiswonenden van 60 t/m 64 jaar (van oud naar jong, per regio)

Op de webpagina van het RIVM staat meer informatie over de prioritering van medische (hoog) risicogroepen. Op deze website wordt aangegeven welke groepen met een medisch hoog risico vervroegd in aanmerking komt voor vaccinatie (dit na het advies van de Gezondheidsraad van 04-02-2021). Het betreft hier groepen waarvan in onderzoeken is aangetoond dat zij een sterk verhoogd risico hebben op slecht beloop of overlijden door COVID-19. Deze cliënten, ook diegenen die jonger zijn dan 60 jaar, lopen een vergelijkbaar risico met mensen van boven de 70 jaar. De laatstgenoemde websitepagina wordt steeds hernieuwd met de actuele stand van zaken rondom het traject en de planning van vaccinatie voor deze medische (hoog)risicogroepen. Ook wordt aangegeven dat zodra er meer bekend is over het beleid, de betreffende artsen/specialisten en cliënten op de hoogte gesteld worden.

(01-04-2021)

Waar staat het informatie-/communicatiemateriaal voor begeleiders en cliënten over de coronavaccinatie?

Informatie voor zorginstellingen voor het uitnodigen van cliënten met alle bijlages (onder andere de toestemmingsverklaringen van BioNTech/Pfizer en Moderna) staan op de website van het RIVM.

De Rijksoverheid biedt naast algemene communicatiemiddelen ook een Toolkit communicatie coronavaccinatie voor zorginstellingen met kant-en-klare communicatiemiddelen. Om zo iedereen zo goed mogelijk te informeren over het vaccineren. Zorginstellingen kunnen de communicatiemiddelen gebruiken voor hun eigen communicatie. De communicatiemiddelen zijn rechtenvrij te downloaden vanaf deze website.

De toolkit bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Nieuwste materialen
  • Coronavaccinatie talkshow
  • Prikken met AstraZeneca voor mensen van 60 jaar en ouder gaat door
  • Vaccineren tijdens de ramadan
  • Vaccinatiestrategie
  • Persberichten
  • Bekende Nederlanders stropen hun mouw op
  • Postergenerator #IkStroopMijnMouwOp & posters zorgmedewerkers
  • Des- en misinformatie
  • Algemene informatie over coronavaccinatie in Nederland
  • Communicatie voor specifieke doelgroepen
  • Veiligheid en bijwerkingen van de vaccins
  • Werking vaccins
  • Social posts, video en banners
  • Social sliders voor Facebook en Instagram
  • Afbeeldingen (inc. afbeeldingen start vaccinaties & 3 miljoenste prik)
  • Advertenties
  • Tv-spot, radiospots en online video

Laatste update 1 juli 2021.

Uitleg over coronavaccinatie in begrijpelijke taal.

Uitleg over de coronavaccinatie programma in het Engels

(07-07-2021)

Waar staat informatiemateriaal over de COVID-19 vaccinatie voor professionals die de vaccinatie uitvoeren?

Disclaimer: Het is mogelijk dat deze lijst niet compleet is.

(07-07-2021)

Ben je nog besmettelijk na vaccinatie?

Er is al veel bekend over de vaccins, maar er wordt ook nog onderzoek gedaan. Op dit moment is nog niet duidelijk of iemand na vaccinatie nog besmettelijk kan zijn. Het RIVM houdt de meest actuele stand van zaken bij op de RIVM website: vragen en antwoorden over de werkzaamheid van de vaccin(s).

Door (wetenschappelijke) ontwikkelingen, kan de informatie op deze website veranderen.

Het RIVM neemt het zekere voor het onzekere: voor gevaccineerde mensen gelden voorlopig dezelfde algemene coronaregels als voor mensen die niet gevaccineerd zijn. De richtlijnen voor professionals voor het gebruik van Persoonlijk Beschermingsmiddelen (PBM) na COVID-19-vaccinatie blijven van kracht.

(01-04-2021)

Wat betekent de versoepeling voor bezoek zoals aangegeven door het kabinet in de persconferentie van 8 maart 2021 voor de gehandicaptenzorg?

Op 8 maart werden naar aanleiding van het advies van het 102e OMT versoepelingen aangekondigd voor instellingen in de langdurige zorg ten aanzien van de bezoekregeling. Deze versoepeling gelden vanaf 16 maart. Wanneer in de instelling de bewoners volledig gevaccineerd zijn, geeft dat onder de huidige omstandigheden volgens het OMT, ruimte voor uitbreiding van de bezoekregeling naar maximaal 2 bezoekers per cliënt per dag. Deze bezoekers hoeven niet uit een vaste groep bezoekers (bubbel) te komen. In de kamerbrief van 8 maart over coronamaatregelen vanaf 16 maart staat meer beschreven over deze versoepeling.  

Het OMT geeft aan dat een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden tussen de risico’s op introductie en verspreiding van COVID-19 in de instelling en het effect van de maatregelen op de kwaliteit van leven van de bewoners. Het OMT adviseert verder dat instellingen een eigen vertaling kunnen maken van de nieuwe adviezen voor verruiming naar hun eigen situatie. Omdat de vaccinatiegraad per locatie/woongroep erg kan verschillen, is het aan te raden om de afweging voor verruiming op lokaal niveau/woningniveau te maken. De uitgangpunten uit de Handreiking bezoek & logeren in de gehandicaptenzorg zijn voor de vertaling naar een nieuw bezoekregeling van toepassing.  

Het RIVM/LCI heeft enkele vragen en antwoorden opgesteld over de versoepeling van bezoekregeling en quarantainebeleid in instellingen voor langdurige zorg. Deze bieden handvatten voor de vertaling van verruiming van bezoek. 

De vragen en antwoorden van het RIVM/LCI gelden voor de hele langdurige zorg. Enkele formuleringen wijken voor de gehandicaptenzorg af omdat de cliëntpopulatie binnen de gehandicaptenzorg erg divers is en meer gemixt qua leeftijd dan de ouderenzorg. Een grote groep cliënten binnen de gehandicaptenzorg heeft geen of een minder verhoogd risico op een ernstig beloop van COVID-19. Daarom adviseert de VGN om naast deze verduidelijkende vragen en antwoorden van het RIVM ook de Handreiking bezoek & logeren in de gehandicaptenzorg in acht te nemen. 

Vragen over wettelijk kader en wilsbekwaamheid bij vaccinatie cliënten

Wat is het wettelijk kader voor vaccinatie van cliënten?

Het wettelijk kader voor de vaccinatie wordt gevormd door de Wgbo. De Wzd is niet van toepassing op toediening van een COVID-19-vaccinatie. Op basis van de Wzd kunnen weliswaar ‘medische handelingen en overige therapeutische maatregelen’ onvrijwillig worden uitgevoerd. Voorwaarde hiervoor is echter dat dit gebeurt in het kader van behandeling van een psychogeriatrische aandoening, verstandelijke beperking, psychische stoornis of somatische aandoening. Het toedienen van een COVID-19-vaccinatie valt buiten dit kader.

Wie beslist over vaccinatie van een cliënt?

Vaccinatie is niet verplicht, ook cliënten hebben dus de keuze om zich wel of niet te laten vaccineren. Kan een cliënt deze keuze zelf niet weloverwogen maken (hij is dan dus wilsonbekwaam ter zake van deze beslissing), dan beslist de vertegenwoordiger van de cliënt.

Wie stelt vast of de cliënt wilsbekwaam is?

Als de zorginstelling de vaccinatie uitvoert, dan beoordelen zorgverleners van die zorginstelling of de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger om toestemming gevraagd moet worden voor de vaccinatie. Als vuistregel kan hierbij worden gehanteerd dat een cliënt die normaal gesproken zelf over zijn medicatie beslist, ook zelf beslist over de vaccinatie.

Als de huisarts de vaccinatie uitvoert, is het aan de huisarts om de wilsbekwaamheid van de cliënt in te schatten en op basis daarvan te beslissen of hij toestemming vraagt van de cliënt of van diens vertegenwoordiger.

Wie beslist over vaccinatie namens een wilsonbekwame cliënt?

Als de cliënt wilsonbekwaam is ter zake van de beslissing om zich te laten vaccineren, beslist zijn vertegenwoordiger. Dit kan een door de rechter benoemde vertegenwoordiger zijn (curator of mentor), maar als die ontbreekt, kan ook een schriftelijk gemachtigde of een vertegenwoordiger uit de familiekring hierover beslissen. Degene die normaal gesproken beslissingen neemt namens de cliënt, kan ook beslissen over de vaccinatie.

Kan een cliënt ook gevaccineerd worden als geen toestemming is gegeven?

Zonder toestemming van de cliënt of, als de cliënt wilsonbekwaam is ter zake van de vaccinatie, van diens vertegenwoordiger, mag de cliënt niet worden gevaccineerd.

De Wgbo biedt in bijzondere omstandigheden de mogelijkheid om een handeling uit te voeren ondanks dat de vertegenwoordiger geen toestemming heeft gegeven. In het beperkte kader van deze FAQ blijft deze mogelijkheid buiten beschouwing.

Kan een wilsonbekwame cliënt die zich tegen vaccinatie verzet toch worden gevaccineerd?

Als een cliënt zelf geen weloverwogen besluit over vaccinatie kan nemen, beslist zijn vertegenwoordiger. Geeft de vertegenwoordiger toestemming, maar blijkt vervolgens dat de cliënt zich verzet tegen de vaccinatie, dan kan deze alleen worden toegediend als dit kennelijk nodig is om ernstig nadeel te voorkomen. Hierbij is alleen ernstig nadeel voor de cliënt zelf relevant. Vaccinatie kan bijvoorbeeld kennelijk nodig zijn om ernstig nadeel te voorkomen als een cliënt zich bevindt in een locatie waar corona is vastgesteld bij mede-cliënten of medewerkers en de cliënt tot een risicogroep behoort.

Wij adviseren niettemin om bij vaccinatie van wilsonbekwame cliënten niet alleen toestemming van de vertegenwoordiger te vragen, maar ook, in samenspraak met de naasten van de cliënt, optimaal in te zetten op het verkrijgen van medewerking van de cliënt.

Vragen over vaccinatie en het dossier van de cliënt

De cliënt wordt gevaccineerd door de zorgorganisatie, wat moet hiervan in het dossier worden genoteerd?

In het dossier wordt in ieder geval vastgelegd op welke datum de cliënt is gevaccineerd, met welk vaccin dit is gebeurd en het batchnummer van het vaccin. In het dossier wordt ook vastgelegd dat de cliënt (dan wel zijn vertegenwoordiger) toestemming heeft gegeven voor vaccinatie en voor het verstrekken van informatie hierover aan het RIVM.

Dat een cliënt is gevaccineerd is niet alleen relevant voor de behandelend arts, maar ook voor de begeleiders van de cliënt. Daarom kan dit in het voor begeleiders toegankelijke deel van het dossier worden genoteerd.

De cliënt wordt gevaccineerd door de huisarts / huisartsenpost, moet de cliënt of zijn vertegenwoordiger dit aan de zorgorganisatie laten weten?

Van de cliënt mag verwacht worden dat hij de zorgorganisatie alle informatie geeft die redelijkerwijs nodig is om de zorgverleningsovereenkomst uit te voeren. Dit is één van de verplichtingen die cliënten hebben op basis van de Wgbo. In dit kader past ook dat de cliënt of diens vertegenwoordiger de zorginstelling laat weten of hij is gevaccineerd.

De cliënt vertelt dat hij is gevaccineerd door de huisarts / huisartsenpost, mag dit in het dossier worden vastgelegd?

Alles wat voor de zorgverlening van belang is, wordt in het dossier vastgelegd. Het is voor de zorgverlening van belang om te weten dat of een cliënt is gevaccineerd. Dit wordt dus in het dossier vastgelegd. Om deze informatie goed te kunnen beoordelen is het van belang om tevens te vermelden of de vastlegging gebaseerd is op mondelinge informatie of is overgenomen van een vaccinatiebewijs. 

Wie bewaart het vaccinatiebewijs dat de cliënt na vaccinatie heeft ontvangen?

Als de cliënt niet zelf zijn vaccinatiebewijs kan bewaren, kan het bewaard worden door degene die ook andere belangrijke papieren voor de cliënt bewaart, doorgaans is dat zijn vertegenwoordiger.

Vragen over reis- en vervangingskosten bij vaccinatie

Op welke manier kunnen organisaties de reis- en vervangingskosten bij vaccinatie van medewerkers in beeld brengen voor vergoeding via de meerkostenregeling?  

De NZa heeft de beleidsregel SARS-CoV-2 virus extra kosten Wlz 2021 aangepast. De reis- en vervangingskosten ten behoeve van vaccinatie van medewerkers zijn toegevoegd aan het lijstje van kostenposten die in elk geval in aanmerking komen voor vergoeding. Om de vergoedingenadministratie zo min mogelijk te belasten met extra vereisten die nodig zijn voor de het vergoeden van reiskosten via de meerkostenregeling, heeft de VGN de NZa gevraagd of het via een eenvoudige manier mogelijk is te komen tot inzicht in het totaalbedrag aan reiskosten in relatie tot vaccinatie van medewerkers. Namelijk door het totaal aan dienstreizen in het eerste kwartaal 2021 te vergelijken met het totaal aan dienstreizen in het vierde kwartaal 2020. In de veronderstelling dat (het grootste deel van) het verschil toe te schrijven is aan reizen van medewerkers naar een van de GGD-vaccinatielocaties verspreid over het land en vanuit de gedachte dat deze twee kwartalen gezien de corona-maatregelen het meest op elkaar lijken. Deze manier brengt met zich mee dat het niet nodig is bij de reiskostendeclaratie van medewerkers vast te leggen dat het om corona-vaccinatie gaat. Er worden op die manier dus minder privacygevoelige gegevens vastgelegd, zoals de privacywetgeving beoogt. Deze vorm heeft daarmee de voorkeur boven het expliciet registeren van reiskosten in verband met vaccinatie.

De NZa heeft positief gereageerd op dit voorstel, maar benoemt één risico: in het geval de algemene reiskosten in het eerste kwartaal 2021 zijn afgenomen tov laatste kwartaal 2020, zullen mogelijk niet alle reiskosten als gevolg van vaccinatie in beeld komen via dia weg en dus vergoed worden. Het is een wat grofmazige manier van kostenbepaling. Met voordelen (administratief eenvoudig, ook in relatie tot privacyregels) en nadelen (grofmazig).

Overigens, met de NZa is afgestemd dat de omvang van de reiskosten naar vaccinatielocaties ook in het 2e kwartaal van 2021 op dezelfde manier in beeld kan worden gebracht als in Q1. Door de totale reiskosten te vergelijken met het 4e kwartaal van 2020. In de handreiking registratie corona-impact van Fizi en zorgbranches wordt ingegaan op de wijze waarop personele meerkosten in beeld gebracht kunnen worden.

Van welke medewerkers worden de reiskosten naar corona-vaccinatielocaties vergoed via de beleidsregel extra (corona-)kosten Wlz 2021?

Dit betreft de reiskosten die werkgevers vergoeden aan alle zorgmedewerkers die in dienst zijn van een aanbieder en die een vaccinatie gaan halen in één van de grote GGD-locaties. Vaccinatie-reiskosten van overige zorgmedewerkers (zoals schoonmakers, koks of kantoormedewerkers) vallen hier ook onder. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen zorgpersoneel dat direct clientcontact heeft en overige zorgmedewerkers die dat niet/minder hebben.

De beleidsregel extra (corona-)kosten Wlz 2021 vindt u hier.

Algemene vragen over het coronavirus

Vragen over persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)

Wanneer moet ik persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) gebruiken?

PBM worden gebruikt in de volgende gevallen:

  • Ter bescherming van de medewerker bij een patiënt met (verdenking op) COVID-19
  • Ter bescherming van de patiënt bij een medewerker die onbeschermd nauw contact heeft gehad met een persoon met COVID-19 of recent is teruggekeerd uit een risicogebied
  • Preventief bij verhoogde besmettingsgraad in de omgeving

De uitleg van en nuances bij deze punten leest u in de richtlijn “Uitgangspunten PBM buiten het ziekenhuis”, ontwikkeld door het RIVM. Deze richtlijn geeft aan in welke situaties zorgmedewerkers persoonlijke beschermingsmiddelen moeten gebruiken om besmetting te voorkomen.  Ook kunt u gebruik maken van het Overzicht richtlijnen testen en PBM op deze website. 
Voor algemene informatie over het gebruik van PBM kunt u gebruik maken van de WIP-richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen.  

Hoe gebruik ik persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)?

Experts van het RIVM en de V&VN hebben handige tools voor ontwikkeld. Graag verwijzen wij u dan ook door naar de sites waar deze informatie is te vinden:

Het RIVM heeft een lijst met veel gestelde vragen en antwoorden over beschermingsmiddelen opgesteld en op hun website gepubliceerd. De lijst is opgesteld n.a.v. vragen die hier RIVM vanuit verschillende kanten hebben bereikt. Het is de bedoeling dat dit een groeiend document wordt waar op termijn ook andere onderwerpen aan kunnen worden toegevoegd. Ook de gegeven antwoorden zullen continu worden bijgesteld aan de laatste inzichten. Wij adviseren u om deze periodiek te raadplegen.

Daarnaast heeft de V&VN een pagina gepubliceerd waar actuele informatie te vinden is over wanneer je welke beschermingsmiddelen gebruikt en handige tips (filmpjes) over hoe en waarom je deze PBM gebruikt.

Wanneer en hoe gebruik ik een mondneusmasker tijdens mijn werk?

Als zorgmedewerker wil je graag weten of het zin heeft om een mondkapje te dragen om je te beschermen tegen het coronavirus. Mondmaskers zijn medische hulpmiddelen die druppeltjes uit de neus en keel kunnen tegenhouden. In de gezondheidszorg worden ze gebruikt door medewerkers die coronapatiënten verzorgen. De maskers zorgen ervoor dat de medewerkers zelf niet besmet raken. Het is niet zinvol en niet nodig om uit voorzorg altijd een mondmasker te dragen. Gebruik in geval van een (vermoedelijke) besmetting altijd een mondneusmasker. 

Het risico op besmetting voor een medewerker is afhankelijk van hoe vaak en hoe intensief de medewerker in contact komt met druppeltjes uit de neus en de keel van coronapatiënten. Dit risico is het grootst voor medewerkers die risicobehandelingen moeten uitvoeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om het uitzuigen van de longen. Ook bij lichamelijk onderzoek of persoonlijke verzorging is er intensief contact en risico op besmetting. In die gevallen moeten zorgmedewerkers een (medisch) mondmasker dragen dat extra beschermt. Echter, als een zorgmedewerker alleen even iets aangeeft aan een patiënt of iemand even snel te hulp schiet, is de kans minimaal dat de zorgmedewerker net op dat ene moment besmet raakt. 

Als het landelijke risiconiveau waakzaam is, dan kan het preventief gebruik van mondneusmaskers worden afgeschaald. Er bestaat de mogelijkheid om op basis van een - met het team gemaakte - professioneel oordeel hiervan af te wijken; waarbij rekening wordt gehouden met de kwetsbaarheid van cliënten, de negatieve gevolgen die gebruik van PBM kan hebben voor cliënten en de ingeschatte vaccinatiegraad. 

Zorgmedewerkers die last hebben van neusverkoudheid, hoesten of koorts moeten zich laten testen op coronavirus. Om te voorkomen dat zij patiënten besmetten moeten zij thuisblijven totdat de uitslag van de test bekend is. Zie verder het testbeleid zorgmedewerkers buiten het ziekenhuis.

Zie de website van het RIVM voor meer informatie over mondmaskers voor zorgmedewerkers. Hier is meer informatie (factsheets en instructiefilmpjes) over het gebruik van het mondmasker en andere PBM te vinden.

Hoe ga ik om met gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) bij cliënten met (ernstige) gedragsproblemen?

Afstand houden kan in sommige gevallen lastig zijn door gedragsproblematiek van cliënten, zoals agressief gedrag richting een zorgmedewerker. Ook kan juist het gebruik van PBM een angstige of agressieve reactie oproepen bij de cliënt. Als de specifieke situatie daarom vraagt, kunnen zorgmedewerkers volgens de richtlijn van het RIVM op basis van hun professionele oordeel besluiten om beredeneerd af te wijken van de RIVM-uitgangspunten. Het is aan te raden om in goed overleg met het team, de gedragskundige en eventueel een arts tot een besluit te komen over het al dan niet gebruik van PBM bij cliënten met gedragsproblemen. 

Vragen over de mondkapjesplicht

Voor wie geldt de mondkapjesplicht niet?

Op de website van de Rijksoverheid vindt u informatie over waar en wanneer het dragen van een mondkapje verplicht is. De mondkapjesplicht geldt voor iedereen vanaf 13 jaar.

Sommige mensen hoeven geen mondkapje op in ruimten waar dat verplicht is. Mensen die vanwege een beperking of (chronische) ziekte geen mondkapje kunnen dragen, hoeven geen mondkapje op. Als mensen met een beperking ontregeld raken als hun begeleider een mondkapje draagt, hoeft in dat geval ook de begeleider geen mondkapje te dragen. Via deze link vindt u meer informatie over de uitzondering op de mondkapjesplicht voor mensen met een beperking. 

Voor zorglocaties geldt een uitzondering op de (algemene) mondkapjesplicht. Het beleid van de zorgorganisatie is leidend.

(07-07-2021)

Hoe toon je aan dat een cliënt geen mondkapje hoeft te dragen?

Mensen die vallen onder de uitzondering, moeten dit kunnen aantonen. Politie, handhavers of OV-personeel kunnen hierom vragen. Het aantonen van de uitzondering kan met behulp van de Eigen Verklaring uitzondering mondkapjesplicht. Deze verklaring is beschikbaar sinds juni 2021 en vervangt het kaartje dat vanaf december 2020 in gebruik was. Het formulier Eigen verklaring uitzondering mondkapjesplicht is te downloaden op de website van de Rijksoverheid. 

Naast de Eigen Verklaring uitzondering mondkapjesplicht is de uitzondering op de volgende manieren kenbaar te maken, met: 

  • een verklaring van een begeleider of een naaste die gebeld kan worden
  • een hulpmiddel of relevante medicijnen laten zien
  • een bewijs van een behandelrelatie van een (huis)arts of instelling
  • het dragen van een faceshield, als dat wel mogelijk is 

Als er voor u een andere manier is om aan te tonen dat u onder de uitzondering valt, dan kunt u die ook gebruiken.

Lees hier meer over op Mondkapjesplicht voor mensen met een beperking of ziekte op Rijksoverheid.nl.

Vragen over testen op het coronavirus

Wat is het testbeleid voor zorgmedewerkers?

De RIVM-richtlijn Inzet en testbeleid medewerkers gehandicaptenzorg en het stroomschema geeft aan wanneer een medewerker moet worden getest op het coronavirus, wanneer dat niet nodig is of wanneer dat het juist verstandig is om even niet te werken.  In principe wordt iedere medewerker getest die klachten heeft van hoesten en/of neusverkoudheid (zonder koorts) én genoodzaakt is om nabije zorg te verlenen aan cliënten.

Wat is het testbeleid bij cliënten?

Wanneer iemand gevaccineerd is kan hij/zij nog steeds besmet raken, ook al wordt iemand niet ziek. Bij klachten is testen daarom belangrijk. Dat geldt ook voor woonzorgcentra of andere plekken waar veel kwetsbare mensen bij elkaar wonen. Dit is van belang voor zorg- en verpleegbeleid in de instelling, zoals PBM gebruik, isoleren en uitbraakprotocollen. Het testen kan ook van belang zijn voor de behandeling of verpleging van een individuele cliënt, die woont in een woonvorm of instelling. Een arts of gedragskundige kan beoordelen of een test nodig is.

 

Waar kan een zorgmedewerker terecht voor een test?

Zorgmedewerkers kunnen voor een test bellen naar het speciale landelijke coronatest-prioriteitsnummer van de GGD: 0800 - 8101.  Kijk voor meer informatie op Zorgmedewerkers testen op corona op Rijksoverheid.nl

Waar kan een cliënt terecht voor een test?

Een cliënt die in een woonvorm of instelling woont neemt bij klachten van hoesten, kortademigheid en/of koorts contact op met de arts van de instelling (of de huisarts) voor de procedure rondom testen.

Is er voldoende testcapaciteit?

Ja, er is voldoende testcapaciteit, dus er is geen reden om zorgmedewerkers niet door te verwijzen voor een test naar de GGD.

Wanneer kan een zorgmedewerker na een positieve test weer werken?

In principe mag een medewerker, na een positieve test, pas weer aan het werk minimaal 7 dagen na de start van de symptomen en wanneer hij 48 uur koortsvrij en ten minste 24 uur symptoomvrij is. Dan kan de situatie ontstaan dat iemand heel lang thuis moet blijven. In specifieke situaties is er bij uitzondering  ruimte voor uitzonderingen op quarantaine/thuisblijf maatregelen voor zorgmedewerkers. Zie Uitgangspunten testbeleid en inzet zorgmedewerkers buiten het ziekenhuis van het RIVM. 

Hoe is de bekostiging van het testen van zorgmedewerkers (werknemers en zzp’ers) geregeld?

In principe is het testen van zorgmedewerkers een werkgeversverantwoordelijkheid. In deze uitzonderlijke situatie is besloten dat het testen van zorgwerkers buiten de ziekenhuizen door de GGD kan plaatsvinden op rekening van het Openbare Gezondheidszorgbudget. Hier is voor gekozen om geen financiële drempel op te werpen voor vooral kleine instellingen en houders van een persoonsgebonden budget. De GGD test daarbij alle zorgmedewerkers, ongeacht of ze werknemer of zzp-er zijn. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat zorgmedewerkers zelf moeten betalen voor een test bijvoorbeeld via het eigen risico van hun zorgverzekering.

Mag een zorgaanbieder de temperatuur van cliënten en bezoekers opmeten als toegangscontrole tot de dagbesteding/zorginstelling?

Nee, dit mag niet als de zorgaanbieder iets met de gegevens van het temperaturen doet (bewaren, registreren, doorgeven) of wanneer deze gegevens automatisch worden verwerkt (bijv. poortje open/groen licht). Het temperaturen valt dan onder de bescherming van de privacywet (Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)).

Wanneer de uitslag van de temperatuur alleen wordt afgelezen (en deze niet bedoeld is om te bewaren, registreren of door te geven) en zonder automatische verwerking, dan valt het aflezen van de temperatuur niet onder de bescherming van de AVG en het toezicht van de Autoriteit Persoonsgegevens. Is de AVG niet van toepassing dan moet de zorgaanbieder ook kijken of er sprake is van een inbreuk op het grondrecht: het inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de cliënt/bezoeker. Dit is een afweging. Wat in ieder geval hierbij meeweegt is de vraag of het temperaturen een effectief middel is om het doel, het traceren van een besmetting van corona, te bereiken (zie ook onderaan deze q&a). De cliënt/bezoeker kan altijd een klacht indienen of naar de rechter gaan wanneer er in zijn/haar ogen sprake is van een inbreuk op zijn grondrecht.

Toelichting
Het temperaturen valt onder de bescherming van de AVG wanneer iets met de uitslag wordt gedaan, zoals het bewaren, registreren of doorgeven van de gegevens. Daarnaast valt het temperaturen onder de bescherming van de AVG als de uitslag automatisch wordt verwerkt, zoals bijv. automatische toegangspoortjes. Bij temperaturen als toegangscontrole zal een van deze twee meestal aan de orde zijn. Er wordt immers niet voor niets gemeten. Uitkomsten zullen vaak moeten worden doorgegeven en ergens worden geregistreerd om iemand toegang te geven of te weigeren.

De vuistregel is dat zorgaanbieders gezondheidsgegevens mogen verwerken als dit noodzakelijk is voor de zorgverlening. De AVG en de Uitvoeringswet AVG, biedt zorgaanbieders geen uitzonderingsgrond om de temperatuur van cliënten en bezoekers op te meten als toegangscontrole. Het temperaturen gebeurt dan als toegangscontrole en is niet noodzakelijk voor de zorgverlening.

Wanneer de uitslag van de temperatuur alleen wordt afgelezen en deze niet bedoeld is om te bewaren (door te geven/registreren) en zonder automatische verwerking (bijv. poortjes die openen, groen licht), dan valt het aflezen van de temperatuur niet onder de bescherming van de AVG en het toezicht van de Autoriteit Persoonsgegevens. Ondanks dat de bescherming van de AVG niet aan de orde is heeft een ieder recht op bescherming van zijn of haar persoonlijke levenssfeer. Dit is een grondrecht. De privacyinbreuk hierop door de zorgaanbieder kan groot zijn als bijvoorbeeld de cliënt na de temperatuurmeting niet mag deelnemen aan de dagbesteding of wanneer de cliënt/bezoeker geen toegang verkrijgt tot de zorginstelling. Andere personen kunnen diegene zien vertrekken of mogelijk uit de afwezigheid van deze persoon conclusies over zijn/haar gezondheid trekken. De cliënt of bezoeker kan een klacht indienen of naar de rechter gaan als hij/zij van mening is dat de zorgaanbieder zijn grondrecht heeft geschonden.

Mag temperaturen als toegangscontrole op grond van de AVG wel als de client toestemming geeft?
Ook wanneer de cliënt of bezoeker uitdrukkelijk toestemming geeft dan mag de zorgaanbieder de cliënt/bezoeker niet temperaturen. De toestemming van de cliënt/bezoeker is namelijk niet geldig omdat deze niet vrij, specifiek, geïnformeerd en ondubbelzinnig is gegeven. In dit geval is voornamelijk de eis van 'vrij' relevant. Vrij betekent dat iemand daadwerkelijk de keuze moet hebben om te weigeren, zonder dat hier negatieve consequenties aan verbonden zijn. In dit geval bestaat de kans dat de cliënt/bezoeker een druk voelt om toestemming te moeten geven voor het laten meten van zijn/haar temperatuur omdat hij/zij anders niet toegelaten zal worden tot de zorginstelling/dagbesteding.

Is temperaturen effectief?
Het RIVM geeft aan dat bij slechts een klein deel van de besmettingen sprake is van verhoging. Dat betekent dat bij temperaturen het merendeel van de besmettingen niet in beeld komt. Omdat de effectiviteit van temperaturen niet vast staat dient de zorgaanbieder zich af te vragen of het opmeten van de temperatuur noodzakelijk is en of er ook alternatieven mogelijk zijn die minder privacy belastend zijn voor de cliënt/bezoeker om te achterhalen of iemand besmet is met het coronavirus.  

Waar kan ik meer informatie vinden over dit onderwerp?
Meer informatie over dit onderwerp vind je in de Q&A’s van de Autoriteit Persoonsgegevens

Welke medewerkers kunnen onder de Wmo 2015 en de Jeugdwet met voorrang getest worden?

Alleen medewerkers onder de Wmo die:

  • essentieel zijn voor de (directe) ondersteuning aan cliënten en de continuïteit van zorg; én
  • zich niet kunnen laten vervangen door een collega.

Denk dan vooral aan medewerkers die:

  • ambulante begeleiding bieden
  • maaltijd ondersteuning bieden
  • respijtzorg bieden; of
  • dagbesteding leiden

Het is belangrijk dat werkgevers en medewerkers met elkaar het gesprek voeren. Uiteraard werkt voorrang alleen als kritisch wordt gekeken of voorrang daadwerkelijk nodig is.

Kunnen medewerkers die hulp bij huishouden bieden zich ook met voorrang laten testen?

In principe niet. Niet al deze medewerkers zijn immers:

  • essentieel zijn voor de (directe) ondersteuning aan cliënten en de continuïteit van zorg; én
  • onvervangbaar.

Maar het is de verantwoordelijkheid van medewerkers en hun werkgevers samen om te bepalen of hierop in noodgevallen een individuele uitzondering moet worden gemaakt.

Welke medewerkers kunnen onder de Jeugdwet met voorrang getest worden?

Dit zijn medewerkers, die ondersteuning bieden in het kader van de Jeugdwet, die:

  • essentieel zijn voor de (directe) ondersteuning aan cliënten en de continuïteit van zorg; én
  • zich niet kunnen laten vervangen door een collega.

Denk hierbij aan medewerkers die werken onder intramurale delen van de Jeugdwet:

  • werkzaam zijn in residentiele setting
  • werkzaam zijn in 24uurs voorziening (bijv gezinshuizen)
  • werkzaam in de logeeropvang

Maar er zijn ook ambulante hulpverleners onder de Jeugdwet die essentiële hulp verlenen en niet vervangbaar zijn. Denk bijvoorbeeld aan medewerkers:

  • werkzaam met kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking of ernstige ggz of gedragsproblematiek
  • werkzaam in dagbestedingsinstellingen.

Het is belangrijk dat werkgevers en medewerkers met elkaar het gesprek voeren of medewerkers voor voorrang getest moeten worden. Uiteraard werkt voorrang alleen als kritisch wordt gekeken of voorrang daadwerkelijk nodig is.

Kunnen zorgverleners die betaald worden uit een pgb zich ook met voorrang laten testen?

Ja, dat kan. De betreffende zorgverlener dient dan een kopie van de zorgovereenkomst mee te nemen naar de teststraat. Indien de zorgverlener een zzp-er is kan deze ook een afschrift meenemen van de Wkkgz-zelftest.

Wat is de Wkkgz-zelftest?

De WKKGZ Zelftest controleert op basis van bedrijfsactiviteiten en SBI nummers (zoals bekend bij de KVK) of de WKKGZ van toepassing is. Deze zelftest is tijdelijk uitgebreid voor zzp-ers die alleen zorg verlenen op basis van de Wmo 2015.

Waar bellen zorgmedewerkers die met voorrang mogen worden getest heen en waar vindt de test plaats?

Er is een speciale landelijke coronatest prioriteitsnummer van de GGD ingericht: 0800 - 8101. Binnen elke GGD-regio is minstens één teststraat ingericht waar zorgmedewerkers met prioriteit getest kunnen worden. Kijk voor meer informatie op de website van de Rijksoverheid

Moet een positieve testuitslag voor Corona bij een cliënt gemeld worden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd?

Zorgaanbieders in de gehandicaptenzorg hoeven positieve testuitslagen voor corona bij cliënten niet te melden bij de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Positieve coronabesmettingen bij cliënten moeten wel gemeld worden bij de GGD. 

Dat is anders dan bij de ouderenzorg; daar meldt men de besmettingen zowel bij de GGD en IGJ. De reden dat zij ook melden bij de IGJ heeft te maken met het aantal besmettingen.

Vragen over de bezoekregeling

Waar vind ik de meest recente versie van de Handreiking bezoek en logeren?

De meest recente versie van de Handreiking bezoek en logeren vind je via deze link.

Vragen over dagbehandeling en dagbesteding

Wat zijn aandachtspunten voor vervoer voor kinderen?

Koninklijk Nederlands Vervoer (KNV) heeft een specifiek protocol zorgvervoer kinderen en jongeren ontwikkeld. Dit protocol is gemaakt voor vervoersbedrijven, maar biedt ook handvatten voor organisaties die het vervoer zelf organiseren.

Het protocol 'Zorgvervoer kinderen en jongeren' (tot en met 17 jaar) en de veelgestelde vragen over dit protocol zijn te vinden op de website van KNV.  

Aandachtspunten, zolang de basisregels gelden, als ouders zelf hun kinderen brengen en ophalen naar locaties:
→ Zorg er ook voor dat brengende ouders 1,5 met afstand kunnen houden tot elkaar.
→ Laat ouders daarom niet binnen komen op de locatie of alleen als daar voldoende ruimte voor is. 
→ Ouders en medewerkers houden 1,5 meter afstand van elkaar.

Wat zijn aandachtspunten voor vervoer naar dagbesteding?

De organisatie van veilig vervoer is een belangrijke randvoorwaarde om dagbesteding te kunnen organiseren voor cliënten die niet zelfstandig kunnen reizen. Koninklijk Nederlands Vervoer heeft een protocol zorgvervoer opgesteld. Dit protocol is gemaakt voor vervoersbedrijven, maar biedt ook handvatten voor zorgorganisaties die het vervoer zelf organiseren.

Als vervoer naar dagbesteding wordt gedaan door een vervoersbedrijf, maak dan tijdig afspraken met de vervoerder. 

De meest actuele versie van het vervoersprotocollen (voor jeugd en volwassenen) zijn te vinden via: https://www.knv.nl/coronaprotocollen/

Zijn er handvatten hoe om te gaan met de algemene maatregelen binnen dagbesteding?

Ook voor dagbesteding in de gehandicaptenzorg vormen de algemene maatregelen van het RIVM om verspreiding van het coronavirus te voorkomen het uitgangspunt. Dit geldt voor zowel cliënten, als voor medewerkers. 

Meer informatie en handvatten hoe om te gaan met de algemene maatregelen en het houden van 1,5 meter afstand zijn te vinden in de Handreiking Dagbesteding in de gehandicaptenzorg

Zijn er extra aandachtspunten voor dagbesteding voor kwetsbare cliënten?

De Handreiking Dagbesteding in de gehandicaptenzorg geeft een aantal handvatten voor het maken van afwegingen bij kwetsbare cliënten. Er wordt in de handreiking onder meer verwezen naar de algemene en aanvullende adviezen van het RIVM voor risicogroepen en COVID-19

Op 1 jun i 2020 gaat het Voortgezet Onderwijs weer open. Wat betekent dit voor Kinderdienstencentra?

KDC’s zijn vanaf 1 juni 2020 ook weer open  voor kinderen in de leeftijd van het voortgezet onderwijs. Dit is in lijn met de 'routekaart voor mensen met een kwetsbare gezondheid’, die de minister op 19 mei 2020 presenteerde. In die routekaart staat de datum van 1 juni 2020, als datum waarop behandeling, begeleiding en dagbesteding voor jeugdigen weer kan opstarten.

Meer informatie is te vinden in de Handreiking Kinderdienstencentra, opvang en logeren.  Deze laatste versie van de handreiking is ontwikkeld voor de periode 1 juni 2020 - 1 juli 2020. 

Actuele informatie over jeugd en corona is te vinden op de website van het NJI

 

Vragen over logeren en logeeropvang

Er is landelijk afgesproken dat per 1 juli 2020 logeren buiten de zorginstelling weer mogelijk is. Betekent dat dat logeren eerder niet mogelijk is?

In goed overleg is het mogelijk de afspraken over logeren eerder in te laten gaan.

Geldt de datum van 1 juli 2020 ook voor logeeropvang?

De datum van 1 juli 2020 geldt niet voor logeeropvang. Deze vorm van ondersteuning is, zeker voor jeugdigen, de afgelopen maanden deels gecontinueerd of inmiddels weer opgestart binnen de mogelijkheden en grenzen van de algemene maatregelen.

Als het gaat om logeren buiten de zorgorganisatie. Bij wie mogen cliënten gaan logeren?

Uit logeren gaan vindt bij voorkeur plaats bij de mensen die ook op bezoek komen. Op die manier wordt het aantal contacten beperkt.

Er lijkt geen uniform beleid tussen zorgorganisaties over logeren. Hoe komt dat?

Het klopt dat in de praktijk zorgorganisaties onderling verschillende keuzes kunnen maken over bijvoorbeeld logeren. Dat is ook logisch omdat de diverse locaties, leeftijden, doelgroepen en individuele situaties tussen en ook binnen organisaties enorm van elkaar kunnen verschillen. In de routekaart gehandicaptenzorg is wel opgenomen dat er uiterlijk 1 juli afspraken gemaakt moeten zijn over logeren voor cliënten die wonen bij een zorgaanbieder. Dit is gedaan om er zeker van te zijn dat die afspraken ook daadwerkelijk gemaakt worden.

Onze zorgorganisatie is erg terughoudend over het thuis logeren. Wat kunnen wij hieraan doen?

Er zal een reden zijn waarom het (nog) niet mogelijk is om thuis te logeren. De organisatie moet hierover met de cliënt/verwant in gesprek gaan. Doel van het gesprek is om te bespreken wat nodig is om van beide kanten vertrouwen te hebben in een veilige invulling van het logeren.

Onze zorgorganisatie lijkt allerlei extra regels in te voeren rondom logeren. Kan dat?

Het klopt dat in de praktijk zorgorganisaties onderling verschillende keuzes kunnen maken over bijvoorbeeld logeren. Dat is ook logisch omdat de diverse locaties, doelgroepen en individuele situaties tussen en ook binnen organisaties enorm van elkaar kunnen verschillen. In sommige gevallen zal het misschien nodig zijn om extra afspraken te maken.

De cliënten die gebruik maken van logeren kunnen de 1,5 meter niet altijd handhaven. Betekent dit dat deze cliënten (nog) geen gebruik mogen maken van de logeeropvang?

Het houden van 1,5 meter afstand is een norm die op dit moment in heel Nederland geldt voor mensen van 18 jaar en ouder. Het hanteren van de 1,5 meter afstand is binnen de gehandicaptenzorg echter niet altijd realistisch. In contact tussen jongeren en volwassenen en tussen volwassenen onderling blijft de 1,5 meter afstand zo veel als mogelijk van toepassing.

Het niet (altijd) kunnen hanteren van de 1,5 meter afstand betekent niet dat deze cliënten geen ondersteuning kunnen krijgen, integendeel. Als organisatie is het van belang dat je dan zoekt naar mogelijkheden om gezondheidsrisico’s zoveel mogelijk te beperken. Dat geldt ook voor de invulling van het logeren. Denk bijvoorbeeld aan het werken in vaste en kleine groepen met vaste begeleiders en probeer de wisseling van ruimten te beperken. Meer informatie is te vinden in de handreiking Kinderdienstencentra, opvang en logeren.

Hoe zorg je voor een veilige terugkeer na logeren?

Het team maakt voorafgaand aan het logeren afspraken met de cliënt en verwanten over: 

  1. Het hanteren van de basisregels tijdens het logeren: bij klachten: blijf thuis, houd afstand, vermijd drukte en was vaak je handen
  2. Het direct melden wanneer de cliënt of één van de nabije contacten ziekteverschijnselen krijgt die passen bij corona
  3. Degene met klachten testen en de cliënt (zo mogelijk ter plekke) in quarantaine totdat de uitslag van de test bekend is (ongeveer 48 uur)
  4. Bij twijfel een arts of GGD inschakelen

Logeeropvang is één van de ondersteuningsmogelijkheden die organisaties bieden aan cliënten. De invulling van de ondersteuning kan nu niet op dezelfde manier als voor de coronaperiode.

Cliënten krijgen soms naast logeeropvang ook andere vormen van ondersteuning, zoals ambulante ondersteuning, dagbesteding, vakantieopvang. Neem het geheel van het ondersteuningsaanbod voor de cliënt en zijn/haar netwerk mee in de afwegingen die nu gemaakt worden over de invulling van logeren. Maak die afweging samen met de cliënt en zijn/haar netwerk.

Vragen over kinderopvang

Moeten twee ouders een cruciaal beroep hebben om beroep te kunnen doen op kinderopvang?

Het is belangrijk dat mensen die een cruciaal beroep hebben, kunnen blijven werken. Mensen die werkzaam zijn in één van de vitale sectoren, kunnen daarom terecht bij de kinderopvang. Als in een gezin één ouder een cruciaal beroep uitvoert, is het verzoek om zelf de kinderen op te vangen als dat kan. Als dat niet lukt, kan er een beroep worden gedaan op de school en/of kinderopvang (dagopvang, BSO, gastouderopvang). Hierbij is het geen harde eis dat beide ouders een cruciaal beroep uitoefenen. Lees verder

Vragen over financiering en verantwoording van zorg

Hoe wordt continuïteit in bedrijfsvoering bevorderd?

Hieronder geven wij aan welke afspraken er specifiek voor de (gehandicapten)zorg zijn gemaakt. Deze specifieke regelingen gaan voor op de algemene maatregelen (noodpakketten) die voor alle sectoren gelden.

In de algemeenheid geldt dat aanbieders bij dreigende liquiditeitsproblemen contact kunnen opnemen met de eigen financier(s). Dat geldt ook als er bijzondere behoefte is aan bevoorschotting.

Sociaal domein 

De VNG heeft op 18 maart 2020 gemeenten opgeroepen om aanbieders met wie ze een contract hebben, te blijven betalen: ook als er een andere of beperkte prestatie kan worden geleverd. De compensatie van omzetderving is op 16 april nader uitgewerkt. In overleg met het kabinet is besloten dat de omzetgarantie in het Sociaal Domein wordt verlengd tot 1 juli 2020. Vanaf 1 juli gelden er geen landelijke afspraken maar kunnen partijen lokaal tot maatwerk komen over compensatie voor omzetderving als gevolg van corona(maatregelen).  Daarvoor is het essentieel dat aanbieders zo spoedig mogelijk in contact treden met de betreffende gemeente(n). Het budget jeugdhulp en Wmo dat gemeenten van het Rijk ontvangen is tijdens de coronacrisis gelijk gebleven. Zij hebben dan ook financiële mogelijkheden tot maatwerkafspraken. De VGN lobbyt voor voortzetting van een landelijke regeling, zoals tot 1 juli 2020 gold.

De uitwerking van de meerkosten is initieel gepresenteerd op 3 juni, later verlengd tot eind 2020 en vervolgens voor heel 2021 (blz 38 Kamerbrief). De rechtmatigheid van alternatieve levering is uitgewerkt op 5 juni.

Wlz

Ook zorgkantoren hebben in de brief van 23 maart vier oplossingen aangekondigd die zorgaanbieders financiële zekerheid bieden tijdens deze crisis. Op 16 april zijn in een brief van VWS aan de NZa de uitgangspunten bekendgemaakt waar NZa in de uitwerking van een beleidsregel rekening mee moet houden. De Wlz-beleidsregel is op 19 mei gepubliceerd, waarin een periode voor compensatie van omzetderving is opgenomen van 1 maart t/m 30 juni 2020, voor alle prestaties. In juni werd bekend dat de compensatie voor omzetderving voor de intramurale zorg en de extramurale dagbesteding werd verlengd tot 1 augustus 2020. Voor de laatste maanden van 2020 heeft de NZa de beleidsregel SARS-CoV-2 virus fase 3 vastgesteld. Met deze beleidsregel wordt een maatwerkoplossing geboden door zorgaanbieders voor bepaalde situaties te compenseren voor doorlopende kosten als zij als gevolg van het coronavirus tijdelijk minder declarabele productie realiseren. Ook blijft het mogelijk voor de rest van 2020 -onder voorwaarden- afzonderlijke dagbesteding- of dagbehandelingsprestaties (H8XX- en H9XX-prestaties) te declareren als deze vanwege de coronacrisis op de woonlocatie worden geboden.

Eind december 2020 heeft de NZa voor het jaar 2021 twee “corona-beleidsregels” vastgesteld: de beleidsregel voor doorlopende kosten en de beleidsregel voor extra kosten.

Zvw

De zorgverzekeraars hebben op 25 maart hun beleid bekend gemaakt over de maatregelen voor compensatie van inkomensderving en vergoeding van extra kosten. Op 9 april is aanvullende informatie verschenen. Informatie hierover vindt u in dit artikel

De regeling voor de continuïteitsbijdrage voor zorgverleners met een omzet van minder dan €10 miljoen is op 1 mei gepubliceerd en vervolgens nader uitgewerkt. Deze regeling is inmiddels gesloten. Met de zorgaanbieders met een omzet van meer dan €10 miljoen worden specifieke afspraken gemaakt. Dit betreft de grote ZG-instellingen. De continuïteitsbijdrage geldt over de periode 1 maart t/m 30 juni 2020.

De regeling voor meerkosten in de Zvw als gevolg van het coronavirus is voor 2020 en 2021 opengesteld voor zorgaanbieders met een omzet kleiner dan € 10 miljoen. Per beroepsgroep is een percentage bepaald van de omzet die voor de meerkosten kan worden aangevraagd. Bij de berekening van dit percentage is rekening gehouden met de extra kosten van tijdelijke aanpassingen ivm de anderhalve meter-samenleving, inhuur van personeel, PBM en afvalverwerking. Voor de vergoeding van de kosten over 2020 is het nodig om uiterlijk 1 februari 2021 alle declaraties ingediend te hebben. Voor aanbieders met een omzet van meer dan € 10 miljoen gelden specifieke regelingen voor meerkosten.

PGB

Voor PGB-houders geldt ook dat er regelingen zijn voor niet-geleverde zorg en voor extra kosten. De eerste regeling voor niet-geleverde zorg is per 1 juli 2020 gestopt voor de meeste budgethouders. Er zijn enkele uitzonderingen: de regeling voor dagbesteding in de Wlz en de zorg in kleinschalige woonvoorzieningen in de Wlz liepen tot 31 juli 2020. De regeling sociaal, recreatief vervoer in de Wmo en Jeugdwet liep tot en met 31 augustus 2020.

Vanaf 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2021 geldt dat de pgb-regeling voor niet-geleverde zorg PGB opnieuw (met terugwerkende kracht) wordt ingevoerd, maar dat doorbetaling alleen geldt voor specifieke in een regeling bepaalde voorwaarden. Het gaat om situaties waarin er sprake is van besmetting en/of noodzaak tot quarantaine van een budgethouder of diens zorgverlener, waardoor de zorg of dagbesteding tijdelijk niet kan doorgaan. Of om de situatie waarin de zorg niet conform de geldende richtlijnen kan worden geleverd, zoals bij dagbestedingslocaties. Vooralsnog geldt deze regelingvoor de Wlz en het sociaal domein. Voor de Zvw zijn nog gesprekken gaande tussen VWS en ZN.

De regeling voor vergoeding van extra kosten (meer uren of duurdere uren) loopt in de Wlz en het sociaal domein door t/m 31 december 2021. 

Is zorg op afstand een alternatief die bekostigd wordt?

De NZa heeft te kennen gegeven extra verruiming aan te brengen voor zorg op afstand tijdens deze coronacrisis. Zodat iedere zorgverlener die zorg op afstand wil leveren, dat moet kunnen doen en niet belemmerd wordt door declaratiebeperkingen. Daarom stelt de NZa alle eventuele belemmeringen of beperkende voorwaarden hiervoor in alle zorgsectoren buiten werking. Voorbeelden hiervan zijn een contractvoorwaarde in de NZa-regels of de verplichting van face-to-facecontact. Dit betekent dat zorg op afstand ook in rekening kan worden gebracht zonder dat hiervoor een speciale prestatie is vastgesteld of als niet precies is voldaan aan de voorwaarden. Zorgaanbieders kunnen ook dan een reguliere zitting/consult/behandeling declareren.

Wlz-aanbieders kunnen voor alle diensten en leveringsvormen de reguliere prestatie declareren als zij in plaats van face-to-face contact een digitale variant hanteren.

Is het mogelijk om uitstel te krijgen voor betalingen aan het pensioenfonds PFZW?

Indien u als zorginstelling in betalingsproblemen komt, is het mogelijk om uitstel aan te vragen van de afdracht van pensioenpremies. Dit kan via de volgende link.  Het gaat om uitstel van betaling, de premies blijven uiteindelijk wel verschuldigd.

Hoe gaan de zorgkantoren om met de verschillende onderwerpen rond corona?

Op de site van ZN zijn voor de verschillende domeinen en specifiek over meerkosten documenten en veelgestelde vragen te vinden.

Moet over de uitleen van zorgpersoneel en de gratis verstrekking van hulpmiddelen btw worden geheven?

Het is ongewenst dat de btw-regels in de huidige coronacrisis leiden tot extra financiële of administratieve lasten. Daarom worden de uitleen van zorgpersoneel en de gratis verstrekking van medische hulpmiddelen aan zorginstellingen, zorginrichtingen en huisartsen niet meer belast met de heffing van btw. Deze maatregelen kunnen met terugwerkende kracht worden toegepast vanaf 16 maart 2020 en zullen (voorlopig) drie maanden gelden. Op de site van de VGN is hierover meer informatie te vinden.

Wat gebeurt er met de eigen bijdrage als cliënten geen of andere hulp en ondersteuning krijgen in de Wmo?

Minister de Jonge heeft aangegeven (p.34) dat alle cliënten in de Wmo, behalve cliënten met de voorzieningen beschermd wonen en opvang, in de maanden april en mei 2020 geen eigen bijdrage hoeven betalen. Dit geldt dus ook voor cliënten die wel ondersteuning vanuit de Wmo (hulp bij het huishouden, begeleiding, dagbesteding) ontvangen. De minister neemt deze maatregel om te voorkomen dat voor elke cliënt moet worden bepaald of de eigen bijdrage gestopt moet worden. De administratieve lasten voor gemeenten en zorgaanbieders wordt zo beperkt. Het CAK informeert de cliënten hierover en zorgt voor een correcte administratieve afhandeling. Deze kwijtschelding van de eigen bijdrage beperkt zich tot de maanden april en mei 2020.

Heeft de compensatie van omzetderving gevolgen voor winstbelasting?

De toekenning van continuïteitsbijdragen aan zorgorganisaties heeft géén gevolgen voor de toepassing van de zorgvrijstelling in de vennootschapsbelasting. Onduidelijkheid hoe deze compensatie (waar geen zorglevering tegenover staat) fiscaal geduid moest worden, heeft de overheid weggenomen door goed te keuren dat als de zorgorganisatie in 2019 vrijgesteld was, deze compensatie hierin geen verandering brengt. Zie hiervoor het besluit onder paragraaf 8.6.

Welke financiële regelingen gelden rondom vervoer naar dagbesteding?

In vervoerscontracten die zorgaanbieders afsluiten met vervoerders is contractueel meestal afgesproken dat wordt betaald voor het daadwerkelijk verrichte vervoer. Dat betekent omgekeerd ‘geen vervoer, geen betaling’.

Wlz

Maart - juli 2020
In de brief van VWS aan de NZa van 16 april zijn de uitgangspunten opgenomen waaraan de beleidsregel die compensatie van inkomstenderving en extra kosten voor de Wlz moet voldoen. Daarin is opgenomen dat zorgaanbieders in staat worden gesteld de compensatie ook aan derden te bieden, aan onderaannemers en vervoerders. Duidelijk is beoogd dat zorgaanbieders hun vervoerders compenseren voor omzetderving. In diezelfde brief is opgenomen dat de compensatie voor omzetderving wordt gecorrigeerd voor kostenbesparingen die worden gerealiseerd. Koninklijk Vervoer Nederland heeft begin 2020 onderbouwd dat 80% van de totale kosten doorlopen bij uitgevallen ritten. Dat wil zeggen dat bij uitgevallen ritten 20% aan kostenbesparing kan worden gerealiseerd door de vervoerder. Gezien deze onderbouwing adviseert de VGN aanbieders om in de Wlz voor uitgevallen ritten 80% door te blijven financieren. Indien overleg tussen aanbieder en vervoerder leidt tot een onderbouwd ander doorbetalingspercentage waarmee de continuïteit van zorgvervoer in belangrijke mate wordt bevorderd, dan blijft dat mogelijk. Zorgkantoren hebben aangegeven bij de compensatie voor inkomstenderving rekening te houden met de doorbetaling van niet gerede ritten aan vervoerders zoals die feitelijk plaatsvindt tijdens de coronacrisis.

De genoemde beleidsregel gold initieel van maart tot en met juni 2020. Die is later verlengd voor de maand juli, specifiek voor de intramurale zorg en extramurale dagbesteding/dagbehandeling inclusief vervoer. 

Augustus-december 2020
In de beleidsregel “corona” voor fase 3 geldt maatwerk. Om voor vergoeding van doorlopende kosten in aanmerking te komen, moet sprake zijn van tenminste één van de drie geschetste specifieke situaties. Situatie B omvat de situatie dat cliënten niet naar de dagbesteding kunnen in verband met bijvoorbeeld de 1,5 meter maatregel op de dagbestedingslocatie of vanwege andere overwegingen die verband houden met de gezondheid en kwetsbare situatie van de cliënt in relatie tot het SARS-CoV-2 virus.
In overleg met het zorgkantoor is het mogelijk dat de aanbieder van dagbesteding voor het niet-uitgevoerde vervoer van en naar de dagbestedingslocatie een vergoeding ontvangt voor doorlopende vervoerskosten. Dit betreft altijd maatwerk. 

2021
Op basis van de beleidsregel “doorlopende kosten corona 2021” blijft het mogelijk om maatwerkafspraken over compensatie van doorlopende kosten te maken met het zorgkantoor. Vervoersprestaties zijn expliciet genoemd in bijlage 2 van deze beleidsregel.

Sociaal domein

De VNG heeft op hun website een lijn voor doelgroepenvervoer van gemeenten gedeeld. Voor uitgevallen route-gebonden ritten is de lijn om 80% door te blijven financieren in de maanden maart t/m juni 2020. Meer informatie is te vinden via de website van de VNG.

Vanaf 1 juli vervalt de oproep aan gemeenten om niet-gereden ritten generiek voor 80% te blijven compenseren. VNG doet vanaf 1 juli wel de oproep om op basis van de lokale situatie en in overleg met de gecontacteerde vervoerder gerichte continuïteitsafspraken te maken op basis van maatwerk. Deze oproep gold aanvankelijk tot 1 september 2020 en is weer verlengd tot 1 januari 2021. Dit maatwerk zal ook voor in ieder geval de eerste helft van 2021 nodig zijn.

Meerkosten vervoer

In het vervoer van en naar dagbesteding kan sprake zijn van meerkosten. Bijvoorbeeld voor noodzakelijke aanpassingen aan het voortuig of door extra inzet van middelen door verminderde efficiency bij het vervoer nav corona-maatregelen. Zowel in de Wlz als voor het sociaal domein zijn daarover afspraken gemaakt over vergoeding daarvan

  • In artikel 4, lid 2, sub c van de beleidsregel extra kosten Wlz 2021 staat: De volgende materiële kostenposten komen […..]in elk geval voor vergoeding in aanmerking: Extra vervoerskosten (bijvoorbeeld veroorzaakt door lagere bezetting vervoersmiddelen, een andere invulling van de dagbesteding of langere routes).
  • op de site van de VNG staat daarover FAQ 9: De direct met COVID-19 verband houdende directe meerkosten bij vervoer dat doorgaat, worden door de gemeente aan de vervoerders betaald. U kunt hierbij denken aan meerkosten als gevolg van het volgen van de protocollen voor veilig en verantwoord zorg- en taxivervoer die op basis van de maatregelen van het Rijk en RIVM zijn opgesteld. Bijvoorbeeld spatschermen, mondkapjes en reinigingsmiddelen, of extra ritten omdat minder mensen per voertuig zijn toegestaan [….].
    Indirecte meerkosten (extra inzet van middelen zoals voertuigen, kapitaal en/of arbeid door verminderde efficiency/combinatiemogelijkheden bij het vervoer) gelden in de basis als meerkosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Als er bij vervoer samenloop is van meerkosten en maatwerkafspraken voor compensatie van omzetderving is het van belang dat in samenhang te bekijken. Om dubbele bekostiging te voorkomen. Hoe die samenhang is, wordt lokaal bepaald door met name de wijze waarop het vervoer vorm wordt gegeven en de verhouding vaste en variabele vervoerskosten. 

Contractuele afspraken met de vervoerder

Graag attenderen wij u op het maken van aanvullende contractuele afspraken met de vervoerder voor de periode waarin de vervoerder doorbetaald wordt terwijl het coronavirus leidt tot uitval van vervoersbewegingen. Dit geldt voor zowel het sociaal domein als voor de Wlz. Een aantal algemene aandachtspunten:

  • Staan er afspraken in de huidige overeenkomst met de vervoerder over de wijze waarop aanvullende afspraken tot stand komen?;
  • Maak afspraken die niet op meerdere wijze te interpreteren zijn;
  • Maak afspraken over het tarief;
  • Maak afspraken over onvoorziene situaties waarin nieuwe afspraken gemaakt kunnen worden;
  • Maak afspraken over de termijn van de afspraken (eventueel met terugwerkende kracht) en over de situatie waarin vervoer weer volledig kan plaatsvinden.

Vragen over werken in de gehandicaptenzorg

Wat zijn de extra maatregelen?

Bij functies waarbij dat mogelijk is wordt tevens geadviseerd om thuis te werken en/ of werktijden te spreiden om contact en verspreiding te beperken. Deze adviezen gelden ongeacht contacten of bezoek aan risicogebieden.

Continuïteit van werk bij besmetting

Heeft u vragen over het coronavirus in relatie tot continuïteit van werk? Kijk dan op de site van de AWVN. U kunt daar ook een Handreiking Coronavirus op de werkvloer VNO-NCW MKB-Nederland AWVN vinden. Staat uw antwoord er niet tussen en bent u lid van de VGN? Dan kunt u contact opnemen met de CAO helpdesk van de VGN via caohelpdesk@vgn.nl of telefoonnummer 030-273 97 19 (maandag, woensdag en donderdag van 9.00 tot 12.00 uur).

Wanneer moeten zorgmedewerkers (met direct of indirect cliëntencontact) thuisblijven?

Een zorgmedewerker blijft thuis wanneer:

  • De zorgmedewerkers klachten** heeft die passen bij het nieuwe coronavirus. Hij laat zich dan testen. Totdat de testuitslag bekend is blijft de zorgmedewerker met klachten thuis.
  • Als een huisgenoot van de zorgmedewerker koorts en/of benauwdheid heeft. De medewerkers blijft thuis tot na de testuitslag. Voor de uitzondering zie*
  • Als de medewerker is teruggekeerd uit een risicogebied/-land (code oranje/rood). Thuisblijven tot 10 dagen na terugkeer. Voor de uitzondering zie*
  • Als een huisgenoot of nauw contact positief is getest op corona. Thuisblijven tot 10 dagen na het laatste contact. Voor de uitzondering zie*

* Uitzondering: Bij hoge uitzondering en alléén als de zorgcontinuïteit in het geding komt (zie boven), kan hiervan afgeweken worden, mits de zorgmedewerker geen klachten heeft en tijdens het werk altijd een chirurgisch mondneusmasker minimaal type II draagt. Daarnaast draagt de zorgmedewerker ook nog handschoenen bij persoonlijke verzorging of lichamelijk onderzoek. Deze zorgmedewerker krijgt heldere instructies over het vroegtijdig signaleren van gezondheidsklachten en wordt bij voorkeur niet ingezet voor zorg van de meest kwetsbaren binnen de instelling.

** De klachten zijn: verkoudheidsklachten, zoals neusverkoudheid, loopneus, niezen, keelpijn en/of hoesten; en/of benauwdheid en/of verhoging of koorts en/of plotseling verlies van reuk en/of smaak.

Bron: https://lci.rivm.nl/lci.rivm.nl/covid-19/bijlage/zorgmedewerkersinzetentestbeleid

Wanneer kunnen zorgmedewerkers weer aan het werk?

Mensen met bovengenoemde klachten moeten thuisblijven tot ze één dag niet meer hoesten en geen koorts hebben. Als familieleden van zorgmedewerkers nog wel klachten hebben, mag men wel gaan werken als men zelf één dag niet meer hoest en geen koorts heeft. 
 

Vragen over opleiden en onderwijs

Welke richtlijnen gelden er voor stagiaires en leerlingen bij zorgaanbieders in de gehandicaptenzorg?

Op 31 maart 2020 kondigde het kabinet aan dat maatregelen met betrekking tot het coronavirus verlengt worden tot 28 april. Dit betekent dat scholen, waaronder alle mbo-scholen, geen onderwijs meer verzorgen op hun fysieke locaties. Het doel van deze maatregel is het tegengaan van de verspreiding van het coronavirus. In het door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen opgestelde servicedocument zijn de richtlijnen en aanbevelingen weergegeven. Deze kunt u hier lezen

In het servicedocument staat dat de zogenoemde praktijkvorming via opleidingsplaatsen (BBL) en stages (BOL) in de zorg door kan gaan, mits de corona-richtlijnen voor veiligheid en gezondheid in acht worden genomen. Het is aan organisaties en leerlingen/stagiaires in afstemming met de onderwijsinstelling om daar situatie-gebonden afwegingen en keuzes in te maken. Via deze link ziet u een voorbeeld van ’s Heeren Loo over de inzet van stagiairs.

Voor het gebruik van beschermende materialen zijn door het RIVM richtlijnen opgesteld, waarbij voor de sector gehandicaptenzorg een speciale instructie is opgesteld. Uiteraard gelden deze richtlijnen ook voor leerlingen/stagiaires.

Hoe gaan we nu om met het verlengen van certificaten rondom risicovolle niet voorbehouden handelingen en voorbehouden handelingen?

Wat betreft bevoegd en bekwaam voor zorgverleners die onder de Wet BIG vallen wordt dit in de BIG registratie geregeld. Niet-BIG geregistreerde zorgverleners in de gehandicaptenzorg vallen onder verantwoordelijkheid van de werkgever. De werkgever is verplicht op grond van artikel 3 goede zorg te leveren en voldoende kwantitatief en kwalitatief personeel in te zetten. De zorgaanbieder of de werkgever is hiervoor verantwoordelijk. Het is dus aan de werkgever/organisatie zelf hoe ze hiermee omgaan. Wat betreft de uitvoering geldt dat als de medewerker regelmatig wordt ingezet voor de uitvoering van de handeling, hij/zij door de inzet in de praktijk ook bekwaam blijft. Tenzij de medewerker zelf aangeeft dat hij/zij zich niet bekwaam voelt.

Het uitstellen van de toets onder deze omstandigheden blijft een afweging die de werkgever zelf kan maken.

Vragen over het platform extrahandenvoordezorg.nl

Hoe werkt de website www.extrahandenvoordezorg.nl?

Op deze site worden de initiatieven gebundeld voor extra zorgpersoneel gedurende deze coronacrisis. Via een database op de website worden de vraag naar en het aanbod van extra zorgpersoneel samengebracht. Vervolgens zorgt een team van regionale contactpunten ervoor dat mensen terecht komen op de plekken waar ze het hardst nodig zijn en ze het meest kunnen betekenen. Hierbij wordt uiteraard gelet op opleidingsniveau en ervaring, maar ook op het besmettingsrisico dat mensen van buiten de organisatie met zich mee kunnen brengen. Eerder maakte het ministerie van VWS al bekend dat verpleegkundigen en artsen van wie de BIG-registratie - minder dan twee jaar - verlopen is, toch gewoon aan de slag mogen. Ook wordt de verplichting tot herregistratie tot nader orde opgeschort. 

Het platform is een breed samenwerkingsverband van brancheorganisaties, vakbonden, regionale werkgeversorganisaties, beroepsverenigingen, private initiatieven en het ministerie van VWS. Er wordt bewust gebruik gemaakt van alle gerelateerde bestaande structuren, waaronder de inzet van het ROAZ.

Om de zorginstellingen hierbij zo veel mogelijk te ontlasten en vraag en aanbod zo goed mogelijk te verdelen, adviseren wij de VGN-leden om de inzet van extra medewerkers via dit platform www.extrahandenvoordezorg.nl te laten verlopen. 

Is een organisatie verplicht om een arbeidsovereenkomst aan te bieden?

Nee, dat is niet het geval. De intentie van degene die zich aanbiedt, is vrijwel altijd gericht op het vrijwillig bieden van extra hulp. Omdat er sprake is van vrijwilligheid, is de hoofdregel dat er een vrijwilligersovereenkomst geldt. Zeker als iemand hulp aanbiedt die bijvoorbeeld ook al een arbeidsovereenkomst elders heeft, of al gepensioneerd is, is het niet nodig om een arbeidsovereenkomst te sluiten.

Wanneer is er sprake van vrijwilligerswerk?

Vrijwilligerswerk is werk dat iemand onbetaald en onverplicht doet, voor anderen of voor de samenleving. In het algemeen gelden de volgende voorwaarden voor vrijwilligerswerk:

  • Het werk is in het algemeen belang of in een bepaald maatschappelijk belang;
  • Het werk heeft geen winstoogmerk;
  • Het werk kost de arbeidsmarkt geen banen en komt niet in de plaats van een betaalde baan.

Kan ik een vrijwilliger een vergoeding geven?

Het is mogelijk om vrijwilligers een vrijwilligersvergoeding te geven. Dit kan belastingvrij maar er gelden wel een aantal voorwaarden, waaronder:

a. het betaalde bedrag mag niet in verhouding staan tot de omvang en het tijdsbeslag van de verrichte werkzaamheden;
b. het betaalde bedrag mag niet hoger zijn dan € 170 per maand en ook niet hoger dan € 1.700 per jaar.

Voor meer informatie verwijzen wij u naar de site van de Belastingdienst.

Heeft een vrijwilliger een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) nodig?

Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is er geen VOG nodig voor vrijwilligers in de zorg. Als u echter van een vrijwilliger een VOG wilt is dat natuurlijk mogelijk. VGN adviseert voor vrijwilligers die in direct contact staan met cliënten een VOG te laten overleggen. Speciaal voor de aanvragen van een VOG voor de cruciale beroepsgroepen heeft screeningsautoriteit Justis een spoedprocedure gemaakt. Een aanvraag via de spoedprocedure duurt ongeveer 5 werkdagen.

Vrijwilligers komen in aanmerking voor een gratis VOG.

Welke tijden mag een vrijwilliger werken?

De Arbeidstijdenwet geldt niet voor vrijwilligers van 18 jaar of ouder. Vrijwilligers van 16 of 17 jaar mogen geen arbeid verrichten tussen 23.00 uur en 06.00 uur. Voor kinderen van 15 jaar en jonger die vrijwilligerswerk doen, gelden dezelfde regels als voor (lichte) arbeid waarvoor ze betaald worden.

Is een vrijwilliger verzekerd bij ongevallen of bij het veroorzaken van schade?

Nee, een vrijwilliger is niet automatisch verzekerd. Er wordt aangeraden om voor vrijwilligers een ongevallen en aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten. De mogelijkheid bestaat dat via de woon- of werkgemeente een collectieve verzekering voor vrijwilligers is gesloten. Dit kunt u het beste navragen bij de desbetreffende gemeente.

a. Bij het veroorzaken van schade: als een cliënt schade lijdt door een fout van iemand die de zorgaanbieder inzet voor werkzaamheden ten behoeve van een cliënt, dan is de zorgaanbieder daarvoor aansprakelijk. Hoewel de schade door de organisatie op de vrijwilliger kan worden verhaald adviseren wij als hoofdregel dit niet te doen en in de vrijwilligersovereenkomst op te nemen dat de organisatie dergelijke schade niet op de vrijwilliger zal verhalen, tenzij de schade is veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid van de vrijwilliger.

b. Als de vrijwilliger schade lijdt: ook voor vrijwilligers geldt de werkgeversaansprakelijkheid als bij werkzaamheden door vrijwilligers schade wordt geleden. Als hoofdregel geldt dus dat er een zorgplicht is van werkgevers ook voor vrijwilligers. Er zijn uitzonderingen mogelijk, denk daarbij aan roekeloos gedrag.

Moet ik een vrijwilligersovereenkomst schriftelijk overeenkomen?

Er geldt geen verplichting om een vrijwilligersovereenkomst schriftelijk overeen te komen maar wij adviseren dit wel te doen. Dat geeft duidelijkheid over wat de vrijwilliger en de zorgaanbieder van elkaar mogen verwachten.

Onderwerpen die in een vrijwilligersovereenkomst geregeld kunnen worden, zijn bijvoorbeeld: de taak van de vrijwilliger, zijn onkostenvergoeding, de plicht om zich aan instructies te houden, het melden van afwezigheid en de opzegging van de overeenkomst.

Is er een model vrijwilligersovereenkomst beschikbaar?

Ja, deze kunt u hier vinden. Uiteraard kunt u deze vrijwilligersovereenkomst aanpassen ten behoeve van uw organisatie.

Wanneer is er sprake van een arbeidsovereenkomst?

Er is sprake van een arbeidsovereenkomst als er sprake is van de volgende drie elementen:

1. een gezagsverhouding;
2. de plicht om persoonlijk de arbeid te verrichten;
3. loonbetaling.

Wij willen in plaats van vrijwilligersovereenkomst een arbeidsovereenkomst aangaan. Welke arbeidsovereenkomst is dan passend?

Er zal in verband met de extra inzet tijdens corona voornamelijk behoefte zijn aan een tijdelijke arbeidsovereenkomst. U kunt in totaal 3 tijdelijke contracten aangaan in een periode van 3 jaar.

Welke arbeidsvoorwaarden zijn van toepassing als er sprake is van een (tijdelijke) arbeidsovereenkomst?

Naast de bestaande wettelijke regels die op iedere werknemer van toepassing zijn, is op werknemers werkzaam in de gehandicaptensector de CAO Gehandicaptenzorg van toepassing. In de CAO Gehandicaptenzorg zijn arbeidsvoorwaarden opgenomen zoals salaris, onregelmatigheidstoeslag en vergoedingen voor overwerk en consignatiediensten.

Kunnen vervroegd gepensioneerde zorgwerknemers in verband met het coronavirus opnieuw in dienst treden, zonder fiscale gevolgen voor het pensioen?

Ja, de gepensioneerde zorgwerknemers, die hun pensioen meer dan vijf jaar vóór hun AOW-leeftijd vervroegd hebben laten ingaan, kunnen nu in verband met de uitbraak van het coronavirus opnieuw weer aan het werk gaan, zonder dat dit fiscale gevolgen heeft voor hun pensioen. De verklaring dat het niet is toegestaan om te werken naast hun pensioen wordt voor deze noodsituatie tijdelijk buiten werking gesteld. Het voorgaande is afgestemd met de Belastingdienst en het Pensioenfonds Zorg & Welzijn.

Vragen over gezondheid en welzijn van professionals

Mag ik naar het buitenland reizen?

Het landelijke advies voor zorgmedewerkers is om zoveel als mogelijk niet naar het buitenland af te reizen en geen evenementen te bezoeken (ook als daar minder dan 100 mensen bij aanwezig zijn). 

Het advies is de richtlijnen toe te passen bij alle medewerkers die nodig zijn voor de continuïteit van zorg (RIVM: informatie over coronavirus voor professionals). Voor kantoormedewerkers en anderen gelden de algemene richtlijnen op de RIVM-site, zowel landelijk als specifiek voor Noord-Brabant.

Hoe informeer ik mijn medewerkers over het coronavirus?

AWVN heeft een voorbeeldbrief over het coronavirus opgesteld die u aan uw medewerkers kunt sturen. Wilt u uw medewerkers informeren over o.a. de symptomen van het coronavirus, wat zij kunnen doen om besmetting te voorkomen en wat zij moeten doen als ze in een risicogebied zijn geweest? Download de brief dan hier.

Waarom is er apart aandacht voor kwetsbare medewerkers?

Besmetting met het COVID-19 virus kan voor kwetsbare medewerkers extra grote gevolgen hebben voor hun gezondheid. Dat vraagt extra aandacht van de werkgever in de verantwoordelijkheid voor het bieden van een veilige werkplek. Speciaal voor deze groep heeft het RIVM een richtlijn opgesteld.

Wie zijn kwetsbare medewerkers?

Onder kwetsbare medewerkers verstaat het RIVM: medewerkers die een verhoogd risico lopen op een ernstig beloop van een SARS-CoV-2-infectie. Deze groepen staan genoemd in de LCI-richtlijn COVID-19 onder Testbeleid risicogroepen COVID-19. Medewerkers met één van de volgende onderliggende aandoeningen behoren tot de risicogroepen voor COVID-19:

  • chronische afwijkingen en functiestoornissen van de luchtwegen en longen;
  • chronische hartaandoeningen;
  • diabetes mellitus;
  • ernstige nieraandoeningen die leiden tot dialyse of niertransplantatie;
  • verminderde weerstand tegen infecties door medicatie voor auto-immuunziekten, na orgaantransplantatie, bij hematologische aandoeningen, bij (functionele) asplenie, bij aangeboren of op latere leeftijd ontstane afweerstoornissen waarvoor behandeling nodig is, of bij chemotherapie en/of bestraling bij kankerpatiënten;
  • een onbehandelde hivinfectie of een hivinfectie met een CD4-getal <200/mm3

Als een kwetsbare medewerker niet stabiel is als gevolg van één van bovenstaande aandoeningen en ondanks het gebruik van medicatie, spreekt het RIVM van een ontregelde/slecht ingestelde medewerker. Het advies is om binnen de groep kwetsbare medewerkers een nuancering aan te brengen voor de ontregelde/slecht ingestelde medewerker met betrekking tot het onderliggend lijden. Dit betekent dat er in afstemming met de (arbo)arts op persoonsniveau bekeken moet worden in welke mate de medewerker met één van de betreffende aandoeningen stabiel is, om zo de mate van noodzakelijk extra veiligheidsmaatregelen te bepalen.

Heb je als werkgever een grotere verantwoordelijkheid voor kwetsbare medewerkers?

De werkgever heeft de verantwoordelijkheid om te zorgen voor een veilige werkplek voor alle medewerkers. Kwetsbare werknemers hebben hierbij recht op extra bescherming. Welke maatregelen nodig zijn is maatwerk en zal op individueel niveau bekeken moeten worden.

Welke aanpassingen kunnen bijdragen aan een veilige werkplek voor kwetsbare medewerkers?

In overleg met de medewerker kan bijvoorbeeld gekeken worden naar:

  • taakherschikking binnen het team waardoor direct cliëntcontact wordt voorkomen of beperkt;
  • inzet op een andere werkplek, locatie of afdeling in de organisatie;
  • sneller inzetten van beschermende middelen;
  • testen van cliënten/medewerkers voor zekerheid over risico’s (er geldt een aanvullend testbeleid voor risicogroepen);
  • thuis werken

Wat als er ondanks allerlei inspanningen geen veilige werkplek kan worden geboden aan kwetsbare medewerkers?

Als in een specifieke situatie na overleg met de medewerker blijkt dat het niet mogelijk is om een veilige werkplek te organiseren, kan het zijn dat een werknemer die behoort tot de hoogrisicogroep, niet of minder inzetbaar is. In dat geval is het raadzaam met de medewerker te overleggen over:

  • Het opnemen van plusuren/PBL-uren/vakantie-uren/(on)betaald verlof en daarmee tijdelijk niet beschikbaar zijn voor werk;
  • Het eventueel verplaatsen van te werken uren naar een later tijdstip in het kalenderjaar.

De werkgever kan de werknemer hiertoe niet verplichten. Als er geen passend werk voor handen is en in overleg met de werknemer geen oplossing wordt gevonden, wordt de medewerker vrijgesteld van werk (zie de richtlijn inzet kwetsbare medewerkers). De medewerker behoudt recht op zijn salaris, omdat het niet verrichten van zijn eigen werk in redelijkheid niet voor rekening van de werknemer komt (art. 7:628 BW). De medewerker dient zich wel beschikbaar te houden voor passend werk.

Zijn zwangere medewerksters ook kwetsbaar of lopen zij extra risico om besmet te raken met het Covid-19 coronavirus?

Werknemers die zwanger zijn behoren niet tot de hoogrisicogroep volgens de definitie van het RIVM. Het RIVM heeft algemene uitgangspunten opgesteld voor gezonde zwangere medewerkers: Zwangerschap, werk en COVID-19

Het verdient aanbeveling om met zwangere medewerksters in gesprek te gaan over hun zorgen en over de mogelijkheden om het werk te blijven doen, eventueel door maatwerk toe te passen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan: 

  • wees extra voorzichtig met nabijheid; 
  • zet eerder het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen in als dat de betreffende medewerker gerust stelt; 
  • kijk naar de mogelijkheden van taakherschikking binnen een team, zodat de betreffende medewerker ontlast wordt in direct cliëntcontact; 
  • de mogelijkheden voor alternatief werk of thuis werk; 
  • het verplaatsen van te werken uren of opnemen vakantie PBL of overuren
  • betrek eventueel de bedrijfsarts bij dit overleg. 

Hoe kunnen we het beste omgaan met medewerkers die thuis een gezins- / familielid hebben die tot de hoogrisicogroep behoort?

Werknemers die thuis een gezins-/ familielid hebben met een (chronische) onderliggende aandoening, behoren niet tot de hoogrisicogroep volgens de definitie van het RIVM. Hoewel de medewerker in principe zijn eigen werk kan blijven doen is het voorstelbaar dat dat deze medewerker (grote) zorgen geeft. 

Het verdient aanbeveling om met medewerkers die samenleven met een kwetsbare persoon, in gesprek te gaan over hun zorgen en over de mogelijkheden om het werk te blijven doen, eventueel door maatwerk toe te passen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan: 

  • wees extra voorzichtig met nabijheid; 
  • zet eerder het gebruik van PBM in als dat de medewerker gerust stelt; 
  • kijk naar de mogelijkheden van taakherschikking binnen een team, zodat de betreffende medewerker ontlast wordt in direct cliëntcontact; 
  • de mogelijkheden voor alternatief werk of thuis werken (of thuiswerk); 
  • zet deze medewerkers niet in op locaties waar cliënten met (verdenking op) het covid-19 virus verblijven;
  • overleg over het verplaatsen van te werken uren of opnemen vakantie-uren, PBL-uren of plusuren. 

Als een medewerker of zijn familie positief getest is op het coronavirus, mag de werkgever deze informatie delen met de collega’s van de betreffende medewerker?

Wanneer een medewerker of zijn familie positief is getest op het coronavirus dan mogen collega’s van de medewerker in algemene zin geïnformeerd worden door de werkgever. Dit betekent dat de informatie over de besmetting niet herleidbaar mag zijn tot de betreffende medewerker of zijn familie. Veel medewerkers zijn open over een (eventuele) corona besmetting, waardoor zij in de praktijk zelf hun collega’s zullen informeren. De werkgever mag niet de medewerker vragen of hij of zij corona heeft. En als de medewerker uit zichzelf vertelt wat hij of zij mankeert, dan mag de werkgever deze informatie niet vastleggen of delen.

Vragen over gezondheid en welzijn van cliënten

Mag ik mijn familielid (of naaste) meenemen uit het verpleeghuis/gehandicapteninstelling en bij mij thuis in zorg nemen?

Onder normale omstandigheden is het natuurlijk mogelijk dat u uw familielid meeneemt naar huis, om bijvoorbeeld een paar dagen te logeren. De bescherming van cliënten, hun naasten en medewerkers hebben echter onze volledige aandacht. Onze inzet is er op gericht om in zorginstellingen, waar kwetsbare mensen samenwonen, verspreiding van het virus te voorkomen. Daarom zijn er zeer strikte maatregelen genomen. Vanwege het besmettingsgevaar achten wij het niet verstandig om een familielid uit een zorginstelling naar huis te halen. Er zijn een aantal punten waar u sterk rekening mee moet houden:

  • Wie neemt de zorg voor het familielid thuis op zich?
  • Thuiszorg is in deze moeilijke tijd niet snel te realiseren.
  • De zorginstelling die verantwoordelijk blijft voor de zorg, ook als uw naaste thuis is, zal in deze tijd misschien ook niet in staat blijken deze zorg thuis te leveren.
  • Wat gebeurt er als u zelf ziek wordt? Wie zorgt er dan voor uw familielid? 
  • Als de thuissituatie onhoudbaar wordt, is het mogelijk dat de zorginstelling uw familielid niet meer opneemt. 
  • Dit doen de zorginstelling om een eventuele besmetting in de zorginstelling te voorkomen.

Mensen die werken in de zorg realiseren zich heel goed hoe zwaar de genomen maatregelen zijn. Ze zijn zwaar voor u, voor uw familielid en voor de zorgmedewerkers. Echter deze maatregelen zijn wel nodig om uw familielid te beschermen. Wij zijn dagelijks in nauw overleg met vele partijen over hun en uw zorgen en behoeften.

Welke informatie mag een zorgorganisatie openbaar (bijv via de website) delen over cliënten die besmet zijn met het coronavirus?

Wanneer een cliënt positief getest is op het coronavirus, dan zegt dat iets over de gezondheid van de cliënt. Een zorgorganisatie mag deze informatie uitsluitend openbaar verspreiden (bijv. op de website) als de informatie geanonimiseerd is. Dit betekent dat de informatie niet herleidbaar mag zijn tot een individuele cliënt. De VGN adviseert zorgorganisaties terughoudend om te gaan met het geanonimiseerd verspreiden van informatie aangezien de informatie al snel herleidbaar is tot een cliënt. Ook wanneer de cliënt of zijn (wettelijk) vertegenwoordiger uitdrukkelijk toestemming geeft mag de informatie niet openbaar verspreid worden. Het openbaar verspreiden van informatie over een cliënt dat hij/zij positief getest is op het coronavirus voldoet namelijk niet aan het beginsel van doelbinding en het beginsel van minimale gegevensverwerking (AVG).

Hoe kunnen we mensen met een licht verstandelijke beperking stimuleren zelf te kiezen om zich strikt te houden aan de COVID-19 maatregelen?

De Associatie van Academische Werkplaatsen Verstandelijke Beperkingen geeft op basis van wetenschappelijk onderzoek de volgende tips:
1.  Voorlichten: waarom blijven we binnen? Wat hebben we eraan?
2.  Motiveren om samen binnen te blijven
3.  Dwang en dreiging wordt afgeraden.

Lees ook de korte uitwerking voor begeleiders.

Wie zijn kwetsbare cliënten?

Het RIVM geeft aan:

1) dat er een verhoogde kans op infectie is van personen ≥ 18 jaar met een verstandelijke handicap die in een instelling wonen.

2) dat er een verhoogde kans op ernstig beloop is van

Personen ≥ 70 jaar; en

Personen ≥ 18 jaar* met:

  • chronische afwijkingen en functiestoornissen van de luchtwegen en longen;
  • chronische hartaandoeningen;
  • diabetes mellitus;
  • ernstige nieraandoeningen die leiden tot dialyse of niertransplantatie;
  • verminderde weerstand tegen infecties door medicatie voor auto-immuunziekten, na orgaantransplantatie, bij hematologische aandoeningen, bij (functionele) asplenie, bij aangeboren of op latere leeftijd ontstane afweerstoornissen waarvoor behandeling nodig is, of bij chemotherapie en/of bestraling bij kankerpatiënten;
  • een onbehandelde hivinfectie of een hivinfectie met een CD4-getal <200/mm
  • ernstig leverlijden in Child-Pugh classificatie B of C; of
  • morbide obesitas (BMI > 40).

*Voor kinderen < 18 jaar met onderliggend lijden zijn adviezen opgesteld door de NVK.

Het consortium GOUD heeft de VB-kwetsbaarheidsindex ontwikkeld. Deze kan gebruikt worden om mensen te identificeren die kwetsbaar zijn, wat hen waarschijnlijk een hoger risico geeft voor een gecompliceerd beloop bij een COVID-19 besmetting.

Vragen over persoonsgebonden budget (pgb)

Waar vind ik informatie over PGB en het coronavirus?

VWS heeft in afstemming met ZN en de VNG maatregelen voor pgb houders afgesproken om de zorg door te laten gaan. U vindt de meest recente informatie over de maatregelen en veel gestelde vragen en antwoorden op de website van de SVB. Ook vindt u adviezen en tips op de website van PerSaldo. Het beleid van de zorgkantoren vindt u hier. en het beleid van de gemeenten vindt u hier.

Vragen over veiligheid

Hoe ga ik om met de Wzd ten tijde van het coronavirus?

VWS heeft hier een document over gemaakt. Dit document vindt u hier.

Hoe ga ik om met eventuele inspecties van brandmeldinstallaties (BMI)?

De coronacrisis heeft ook gevolgen voor het onderhoud en de inspecties van brandmeldinstallaties. Daar waar zorggebouwen ‘op slot’ zijn, kan vanzelfsprekend geen onderhoud of inspectie plaatsvinden en in het algemeen zal gelden dat dit momenteel geen (hoge) prioriteit heeft bij zorgorganisaties.

Het CCV (Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid) is verantwoordelijk voor de controleprocedures en heeft hierover gepubliceerd, met op verzoek van de VGN en van ActiZ een apart katern over de zorg. De kern is: Voor ziekenhuizen en zorginstellingen geldt dat alle mensinzet gericht is op beheersing van het coronavirus. Anderen dan zorgverleners krijgen geen toegang. Het uitvoeren van onderhoud of inspecties is momenteel niet de eerste prioriteit. Is een instelling niet toegankelijk voor mensen van buiten, dan moet de inspectie of het onderhoud worden uitgesteld of moet een alternatief gezocht worden. Gedurende de coronacrisis blijft (brand)veiligheid uiteraard een aandachtspunt van ziekenhuizen en zorginstellingen.

Wellicht is het verstandig om met de betreffende inspectie-instelling of het onderhoudsbedrijf concreet af te spreken wat de status is op dit moment (bijv. certificaat verloopt binnenkort en we spreken af dat er pas een herinspectie komt zodra dat weer mogelijk is als gevolg van nieuwe overheidsbesluiten). Bij conflicten hierover met de inspecterende instantie kunt u contact opnemen met Frits Mul (fmul@vgn.nl).

Hoe ga ik om met eventuele inspecties bij legionella?

De ILT (Inspectie voor de Leefomgeving en Transport, verantwoordelijk voor de controle op legionella-preventie) heeft om te voorkomen dat op termijn een probleem kan ontstaan met legionellabesmettingen in de drinkwaterinstallaties het volgende geadviseerd: “Voor ziekenhuizen en zorginstellingen geldt dat alle mensinzet gericht is op beheersing van het coronavirus. Medewerkers van de waterleidingmaatschappijen die watermonsters moeten nemen, krijgen geen toegang en het uitvoeren van legionellapreventie (spoelen en metingen van temperatuur van drinkwater) is momenteel niet de eerste prioriteit van de zorginstellingeninstellingen. Is een instelling niet toegankelijk voor mensen van buiten, stel de reguliere bemonstering voor legionella of voor de meetprogramma’s dan uit tot later dit jaar of zoek naar alternatieven. Kijk naar mogelijkheden om het spoelen van weinig gebruikte tappunten toch uit te kunnen voeren. Ga in het uiterste geval over van een frequentie van wekelijks spoelen naar 2-wekelijks spoelen”. Het volledige bericht van de ILT vindt u hier. Bij conflicten hierover met de inspecterende instantie kunt u contact opnemen met Frits Mul (fmul@vgn.nl).

Vragen over cohortverpleging

Wat houdt de regionale aanpak voor kwetsbare patiënten i.v.m. COVID-19 in?

Deze regionale aanpak is gericht op het domein overstijgend organiseren van beddencapaciteit om kwetsbare patiënten uit de thuissituatie, (kleinschalige) instellingen of het ziekenhuis een alternatief te bieden als:

  1. Opname in het ziekenhuis door de patiënt niet (langer) gewenst of mogelijk is, of waar dit medisch niet zinvol wordt geacht.

  2. Zorg in de thuissituatie niet veilig voor mantelzorger, medebewoner of zorgpersoneel, of niet efficiënt (personeel, persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)) kan worden georganiseerd.

Voor zover deze capaciteit niet gerealiseerd kan worden door het veilig organiseren van thuiszorg of het realiseren van "Corona-units" in bestaande verpleeghuizen, gehandicapten- en GGZ instellingen worden tijdelijke zorglocaties (Coronacentra) gerealiseerd. In de corona-units en Coronacentra wordt cohortverpleging wordt toegepast voor specifieke doelgroepen (COVID+; COVID-) en specifieke zorgvragen.

Deze aanpak heeft als doel:

  • De druk op de (thuis)zorg te verlichten, de veiligheid van (thuis)zorgmedewerker, medebewoners en mantelzorgers te waarborgen en efficiënt met de schaarste aan (thuiszorg)personeel, artsen en persoonlijke beschermingsmiddelen om te gaan;
  • De druk op ziekenhuiscapaciteit te verlichten

De aanpak betreft advanced care planning, het regionaal realiseren van tijdelijke zorglocaties (Coronacentra) voor het bieden van cohortverpleging en een regionaal coördinatiepunt voor toeleiding van kwetsbare patiënten naar de juiste zorg op de juiste plek.

Meer informatie over de aanpak en de rol van de directeur publieke gezondheid (DPG) in deze aanpak is te vinden in de volgende brieven:

 

Hoe moeten we omgaan met ‘ziekenhuisafval’ van corona-patiënten?

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft, evenals tijdens de eerste corona-golf, opnieuw toestemming gegeven om droog COVID-19 afval (in officiële termen: ziekenhuisafval) in speciale zakken te verpakken, in plaats van in de voorgeschreven ziekenhuisvaten voor besmet afval. Tot oktober 2021 geldt deze uitzondering. Meer informatie is te vinden in het artikel Tijdelijke regeling afvoeren van droog Covid-19 afval. 

Hoe worden corona-units bekostigd?

Meerdere aanbieders in onze sector hebben specifieke units ingericht om cliënten/patiënten met COVID-19 (ook afkomstig van andere aanbieders) op te vangen en te verplegen. Meestal zijn daarover in regionaal verband afspraken gemaakt tussen zorgorganisaties, verzekeraars en de GGD. Per regio kunnen die afspraken dus ook verschillen. De bekostiging is voortdurend een punt van discussie. Inmiddels zijn op bestuurlijk niveau daarover afspraken gemaakt met verzekeraars en met VWS. Daarover leest u meer in dit artikel.

Vragen over het mee terug naar huis nemen van een cliënt

Mogen cliënten die vrijwillig (hieronder vallen ook artikel 21 Wzd cliënten) in de instelling zijn opgenomen door de (wettelijk) vertegenwoordiger/verwant tijdelijk mee naar huis worden genomen?

Cliënten gaan in principe niet voor een periode naar huis of op bezoek. Als de verwanten/ (wettelijke) vertegenwoordiger een cliënt die in een instelling woont wil ophalen om voor een periode naar huis te gaan, blijft die cliënt bij zijn verwanten/(wettelijk) vertegenwoordiger tot de bezoekersregeling is opgeheven. Uitzonderingen hierop zijn mogelijk, op basis van afwegingen die de organisatie maakt, met inachtneming van de algemene uitgangspunten en de ontstane situatie voor de individuele cliënt. Indien er sprake is van medische klachten, komt de cliënt (nog) niet terug naar de instelling, maar wordt er eerst getest en moet de uitslag bekend zijn.

Als de zorgorganisatie vindt dat het risico groot is dat de cliënt zichzelf of iemand anders ernstig benadeelt als hij het verblijf tijdelijk onderbreekt, kan de zorgorganisatie een inbewaringstelling aanvragen. De cliënt wordt dan gedwongen zijn verblijf voort te zetten.

Mogen cliënten die gedwongen in de instelling zijn opgenomen (met een RM of IBS) op grond van de Wet zorg en dwang door de (wettelijk) vertegenwoordiger/verwant tijdelijk mee naar huis worden genomen?

De enige mogelijkheid om cliënten die door een uitspraak van de rechter met een RM of IBS gedwongen zijn opgenomen in de instelling, tijdelijk mee naar huis te kunnen nemen is als de cliënt of zijn vertegenwoordiger een verzoek tot verlof bij de zorgaanbieder doet. Verlof kan door de zorgaanbieder (al dan niet onder voorwaarden) worden verleend als de zorgaanbieder het verantwoord vindt dat de client buiten de accommodatie verblijft. De Wzd-functionaris moet instemmen met het verlof.

Welke eisen stelt het zorgkantoor als de verwanten/(wettelijk) vertegenwoordiger de cliënt mee naar huis willen nemen (financiering zorg-in-natura)?

Vanwege het besmettingsgevaar achten de zorgkantoren het niet verstandig om een cliënt uit een zorginstelling naar huis te halen. Bestaat deze wens toch, dan is het erg belangrijk dat de verwanten/(wettelijk) vertegenwoordiger met de zorgaanbieder in gesprek gaan over de gevolgen van het in huis nemen van een cliënt, zoals:

  • Wie neemt de zorg voor de cliënt thuis op zich? Thuiszorg is in deze moeilijke tijd niet snel te realiseren.
  • Wat gebeurt er als een verwant zelf ziek wordt, wie zorgt er dan voor de cliënt? Als de thuissituatie onhoudbaar wordt, is de kans groot dat de zorginstelling de cliënt niet meer opneemt in verband met besmettingsgevaar.

Zorgkantoren verwachten dat zorgaanbieders het beste kunnen inschatten wat verantwoord is gezien de situatie thuis en in de instelling. Zij willen vooral benadrukken dat zorgaanbieders en verwanten/(wettelijk) vertegenwoordiger actief in overleg treden over de gevolgen van het in huis nemen van een cliënt. Op het moment dat verwanten/(wettelijk) vertegenwoordiger toch besluiten om de cliënt op te halen uit de instelling, is het belangrijk dat zij onderling afspraken maken. De zorgkantoren verlangen van zorgaanbieders dat zij de (wettelijk) vertegenwoordiger (en de verwant die de cliënt mee naar huis wil nemen als hij/zij niet tevens de (wettelijk) vertegenwoordiger is) een verklaring laten ondertekenen waarin zij de verantwoordelijkheid van de zorgverlening (voor de duur van de periode dat cliënt thuis verblijft) overnemen en mogelijk geen aanvullende hulp in de thuissituatie kunnen krijgen. Zie ook de Beleidslijnen van de zorgkantoren

Met wie maakt de zorgaanbieder afspraken over het tijdelijk mee naar huis nemen van de cliënt?

Het uitgangspunt is dat afspraken worden gemaakt met de cliënt, tenzij hij/zij niet wilsbekwaam is om hierover afspraken te maken. In dat geval maakt de zorgaanbieder afspraken met de (wettelijk) vertegenwoordiger van de cliënt. Wanneer de (wettelijk) vertegenwoordiger niet tevens de verwant is die de cliënt mee naar huis wil nemen, dan moeten de afspraken worden gemaakt tussen de drie betrokken partijen ((wettelijk) vertegenwoordiger, verwant en zorgaanbieder). In alle gevallen geldt dat het van groot belang is dat zij overzien wat de consequenties zijn van het naar huis gaan/van het mee naar huis nemen van de cliënt. Het gesprek hierover, het uitleggen van de consequenties en het maken van afspraken zijn daarbij essentieel.

Eindigt de zorg- en dienstverleningsovereenkomst op het moment dat de cliënt mee naar huis wordt genomen?

Nee in beginsel niet, tenzij de cliënt/(wettelijk) vertegenwoordiger hierom verzoekt. Het beëindigen van de overeenkomst is niet nodig wanneer de cliënt tijdelijk mee naar huis wordt genomen. Voor de periode waarin de cliënt de Wlz-instelling verlaat worden aanvullende afspraken gemaakt omdat de zorgaanbieder in deze periode tijdelijk niet in volle omvang aan de oorspronkelijke afspraken kan voldoen.

Welke afspraken zouden met de cliënt/(wettelijk) vertegenwoordiger/verwanten kunnen worden gemaakt als de cliënt mee naar huis wordt genomen?

De afspraken zijn toegespitst op de specifieke situatie van de cliënt. Bij het maken van de afspraken kunt u denken aan de volgende onderwerpen:

  • welke zorg of begeleiding de zorgaanbieder nog wel kan leveren (onder welke voorwaarden) en wat niet;
  • de situatie waarin de thuissituatie onhoudbaar wordt (wat kan de zorgaanbieder daarin betekenen);
  • de situatie waarin de verwanten of de (wettelijk) vertegenwoordiger niet meer voor de cliënt kunnen zorgen vanwege bijvoorbeeld ziekte of zelfs overlijden;
  • de verantwoordelijkheid van de zorgverlening;
    Het zorgkantoor vereist dat de (wettelijk) vertegenwoordiger (en de verwant die de cliënt mee naar huis wil nemen als hij/zij niet tevens de (wettelijk) vertegenwoordiger is)  een verklaring ondertekenen waarin zij de verantwoordelijkheid van de zorgverlening (voor de duur van de periode dat cliënt thuis verblijft) overnemen en kunnen mogelijk geen aanvullende hulp in de thuissituatie krijgen. 
  • de terugkeer van de cliënt in de zorginstelling en welke procedures daarvoor gelden;
  • beschikbaarheid van de plek bij terugkomst;

Zie ook de beleidslijnen van de zorgkantoren.

De VGN adviseert zorgaanbieders om de afspraken op papier te zetten en ze te laten ondertekenen. Het uitgangspunt is dat afspraken worden gemaakt met de cliënt, tenzij hij/zij niet wilsbekwaam is om hierover afspraken te maken. In dat geval maakt de zorgaanbieder afspraken met de (wettelijk) vertegenwoordiger van de cliënt. Wanneer de (wettelijk) vertegenwoordiger niet tevens de verwant is die de cliënt mee naar huis wil nemen, dan moeten de afspraken worden gemaakt tussen de drie betrokken partijen ((wettelijk) vertegenwoordiger, verwant en zorgaanbieder).

Kunnen zorgaanbieders een tegemoetkoming in de kosten betalen wanneer de cliënt tijdelijk mee naar huis is genomen door verwanten/(wettelijk) vertegenwoordiger?

Zorgaanbieders kunnen met verwanten afspraken maken over een tegemoetkoming in de kosten. Bijvoorbeeld een vergoeding voor maaltijden of de kosten van hulpmiddelen zoals incontinentiemateriaal. Veel zorgaanbieders maken al dergelijke afspraken als de client voor vakantie of een weekend naar huis wordt genomen. Zorgaanbieders zijn dit echter niet verplicht.

Kunnen zorgaanbieders de kosten voor een leegstaande verblijfsplek blijven declareren?

In de Wlz vallen de eerste 14 dagen afwezigheid onder de reguliere afspraken voor afwezigheidsdagen en deze mogen worden gedeclareerd. Daarna stopt de declaratie. De corona-beleidsregel doorlopende kosten voor fase 3 (2020) en fase 4 (2021) biedt ruimte aan zorgkantoren om in uitzonderlijke gevallen de hardheidsclausule in te zetten. In de beleidsregel wordt als voorbeeld voor inzet van de hardheidsclausule aangehaald: de situaties waarbij een besmetting heeft plaatsgevonden en de locatie SARS-CoV-2 virusvrij is. Door een SARS-CoV-2 virus gerelateerde oorzaak (na-ijl effect) is nog steeds onvermijdelijk sprake van leegstand. Situatie D betreft ook de situatie waarbij in het werkgebied van de gecontracteerde zorgaanbieder, maar niet bij betreffende zorgaanbieder zelf, sprake is van een (lokale) besmetting, waardoor opnames worden uitgesteld of dat cliënten niet naar de dagbesteding kunnen/ willen. 
Het advies is dan ook om hierover met uw zorgkantoor in gesprek te gaan. 
In het sociaal domein zijn hierover geen landelijke afspraken gemaakt. Hierover dient u zich tot uw gemeente te wenden. 

Wat gebeurt er met de eigen bijdrage als een cliënt tijdelijk uit een zorginstelling vertrekt?

In de meeste gevallen blijft de cliënt een eigen bijdrage betalen, omdat de plek in de zorginstelling gereserveerd blijft. Met de eigen bijdrage wordt bijvoorbeeld ook de ‘huur’ betaald. Wil de cliënt voor langere tijd uit de zorginstelling? Dan kan hij met het zorgkantoor de mogelijkheden bespreken. Het is wel mogelijk dat de plek in de instelling dan naar iemand anders gaat. Kiest de cliënt met het zorgkantoor voor een andere soort zorg? Dan is het mogelijk dat de eigen bijdrage verandert. (bron: CAK informatie over het coronavirus)

Vragen over wetenschappelijk onderzoek

Waar vind ik informatie op basis van wetenschappelijk onderzoek?

De Associatie van Academische Werkplaatsen Verstandelijke Beperkingen beantwoorde, direct na het ingaan van de lockdown periode in maart, kennisvragen van zorgorganisaties over het coronavirus en de gevolgen hiervan voor de zorg en ondersteuning aan mensen met een verstandelijke beperking . Wetenschappers van alle aangesloten Academische Werkplaatsen hebben hiervoor samen recente wetenschappelijke kennis uit binnen- en buitenland verzameld. In totaal zijn in de periode maart – juli 25 vragen beantwoord en zijn een antwoorden inmiddels ook van updates en uitbreidingen voorzien. De antwoorden zijn beschikbaar in de vorm van wetenschappelijke samenvattingen, publiekssamenvattingen en makkelijk lezen samenvattingen. Het zijn onmisbare kennisbronnen geworden. Er kunnen nog steeds kennisvragen worden ingediend die door wetenschappelijk onderzoek worden beantwoord.

De kennisvragen en antwoorden zijn te vinden op de website van de Associatie van Academische Werkplaatsen.

Vragen over arbeidsvoorwaarden

Vragen over loondoorbetaling

Geldt er een loondoorbetalingsplicht voor werknemers besmet met het coronavirus?

Werknemers die besmet zijn met het coronavirus en daarvan klachten ondervinden hebben recht op doorbetaling van loon. Zij zijn immers ziek. (Artikel 11:4 CAO en artikel 7:629 lid 1 BW).

Geldt er een loondoorbetalingsplicht bij quarantaine van een werknemer?

De overheid kan maatregelen opleggen om mensen die in contact zijn (geweest) met een coronapatiënt (en dus eventueel besmet zijn) in quarantaine te plaatsen. In dat geval is geen sprake van ziekte, maar heeft een werknemer toch recht op loon. In deze situatie kan de werkgever van de werknemer verlangen dat hij zo mogelijk werkzaamheden vanaf het quarantaineadres verricht. (Artikel 7:628 BW).

Geldt er een loondoorbetalingsplicht voor quarantaine van een werknemer in een vakantieland? 

Ook de werknemer die in zijn vakantieland in quarantaine moet blijven heeft recht op loondoorbetaling. Deze quarantaineperiode gaat in principe niet van zijn vakantiedagen af. De enige uitzondering is als de werkgever kan bewijzen dat dit in de risicosfeer van de werknemer ligt. Dit zal lastig te bewijzen zijn. (Artikel 7:628 BW).

Zie voor meer informatie ook de vragen en antwoorden onder ‘Vragen over vakantie’.   

Een werknemer staat ingepland voor een dienst waarvoor hij onregelmatigheidstoeslag (ORT) ontvangt. De werknemer kan deze dienst echter niet draaien in verband met het coronavirus. Heeft de werknemer recht op doorbetaling van de ORT?

De werknemer behoudt recht op loon omdat hij zijn werk niet kan verrichten door een oorzaak die in redelijkheid niet voor rekening van de werknemer kan worden gebracht (artikel 7:628 BW).  
 
De VGN adviseert het loon door te betalen dat de werknemer had kunnen verdienen als deze wel het werk had kunnen verrichten. Dat brengt met zich mee dat de werkgever ook ORT verschuldigd is op basis van het reeds vastgestelde rooster. Als er geen vastgesteld rooster (meer) is, dan betaalt de werkgever een gemiddelde ORT. 
 
We adviseren de ORT op maandbasis te meten over een periode van zes maanden voorafgaand aan de maand waarin de werknemer zijn werk niet heeft kunnen verrichten door een oorzaak die in redelijkheid niet voor rekening van de werknemer behoort te komen.

Vragen over naar huis sturen / ander werk / meer werken / minder werken

Mag de werkgever een werknemer met ziekteverschijnselen naar huis sturen om cliënten en collega’s tegen besmetting te beschermen? 

Een werkgever moet altijd gegronde redenen hebben om een werknemer naar huis te sturen. In een dergelijk geval is aannemelijk dat de risico’s van tewerkstelling van een besmette werknemer (besmetting van collega’s, bedreiging van de continuïteit van de zorgverlening en besmetting van degenen aan wie zorg wordt verleend) het naar huis sturen rechtvaardigen. Als er sprake is van verdachte ziekteverschijnselen, moet de GGD ingelicht worden en moeten de aanwijzingen van de GGD opgevolgd worden. (Artikel 7:611 BW).

Mag de werkgever een werknemer te werk stellen op een andere afdeling/werkplek?

Ja, indien, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, van de werknemer als goed werknemer gevergd kan worden gevolg te geven aan een dergelijke opdracht, en de werknemer geen steekhoudende bezwaren heeft die opwegen tegen de gerechtvaardigde belangen van de werkgever. 

De werknemer behoudt het loon, behorend bij de eigen functie. (Artikel 7:611 en 7:660 BW en Artikel 3:10 CAO).

Mag de werkgever een werknemer, die normaal gesproken geen werkzaamheden in onregelmatige dienst verricht, nu werkzaamheden in onregelmatige dienst opdragen?

Ja, indien, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, van de werknemer als goed werknemer gevergd kan worden gevolg te geven aan een dergelijke opdracht, en de werknemer geen steekhoudende bezwaren heeft die opwegen tegen de belangen die de werkgever met de opdracht beoogt te dienen. 

De werknemer behoudt het loon, behorend bij de eigen functie. Tevens gelden de bepalingen uit de CAO met betrekking tot onregelmatigheidstoeslag. (Artikel 7:611 en 7:660 BW en Artikel 3:10 CAO).

Mag de werkgever een werknemer verplichten meer te werken dan is overeengekomen?

Ja, indien, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, van de werknemer als goed werknemer gevergd kan worden gevolg te geven aan een dergelijke opdracht, en de werknemer geen steekhoudende bezwaren heeft die opwegen tegen de belangen die de werkgever met de opdracht beoogt te dienen. (Artikel 7:611 en 7:660 BW en Artikel 3:10 CAO). 

Mag een werknemer, in verband met besmettingsgevaar op de werkplek, ander werk claimen?

Nee. De verplichting om de overeengekomen arbeid te verrichten vloeit als belangrijkste verplichting voor de werknemer voort uit de arbeidsovereenkomst. Een werknemer is, ook bij besmettingsgevaar, verplicht om zijn werk uit te voeren, aangenomen dat de werkgever, conform de zorgplicht voortvloeiend uit de Arbowet, voorzorgsmaatregelen neemt ten behoeve van een veilige en gezonde werkplek.

Mogelijk moet in uitzonderlijke gevallen worden aangenomen dat een werknemer ander werk kan claimen indien van deze werknemer, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, in verband met besmettingsgevaar niet gevergd kan worden het werk op de eigen werkplek te blijven verrichten. Gedacht moet worden, bijvoorbeeld, aan een werknemer die behoort tot de risicogroep met een (sterk) verhoogde kans op (ernstige) complicaties bij besmetting, die op de eigen werkplek in contact komt met mensen die besmet zijn, terwijl alternatief werk voorhanden is op een werkplek (nagenoeg) zonder besmettingsgevaar. In beginsel behoudt de werknemer in dat geval het loon, behorend bij de eigen functie. 

Een medewerker heeft ook een arbeidsovereenkomst met een andere werkgever. Wij willen niet dat deze medewerker bij de andere werkgever werkt in verband met besmettingsgevaar. Kunnen wij de medewerker verbieden bij de andere werkgever te werken?

In beginsel kan een werkgever een werknemer niet verbieden bij een andere werkgever te werken tenzij deze nevenwerkzaamheden redelijkerwijs onverenigbaar zijn met de functie dan wel met de belangen of het aanzien van de instelling (artikel 3:13 CAO). Of de nevenarbeid onverenigbaar is met de functie en/of belangen, zal per geval beoordeeld moeten worden.  
Om de kans op besmetting zo klein mogelijk te maken kunnen we ons voorstellen dat het verstandig is te besluiten dat medewerkers vooralsnog niet meer bij meerdere zorgorganisaties of op meerdere locaties werken. Wij adviseren u, indien u niet wilt dat uw medewerker werkzaamheden verricht bij een andere werkgever in verband met besmettingsgevaar, in overleg te treden met deze andere werkgever en samen naar een oplossing te zoeken. Zo kan bijvoorbeeld in het geval van meerdere werkgevers onderling afgesproken worden dat er voor deze periode één groter contract wordt aangeboden aan de betreffende medewerker door de werkgever waar tot dusver sprake was van de grootste contractomvang. 
 

Wij hebben het rooster voor de komende periode vastgesteld maar nu blijkt dat medewerkers door sluiting van een locatie de uren zoals opgenomen in het rooster niet (geheel) kunnen werken. Wat heeft dit voor gevolgen?

Een rooster moet tenminste 21 etmalen van tevoren bekend worden gemaakt worden door de werkgever (artikel 6:6 CAO). Is dit rooster eenmaal gepubliceerd dan kan een werkgever hierin niet zomaar eenzijdig wijzigingen aanbrengen. 

We adviseren werkgevers in een situatie dat een afdeling of locatie wordt gesloten vanwege het coronavirus te kijken of medewerkers ingezet kunnen worden voor andere werkzaamheden, desnoods op een andere afdeling of locatie. Een werkgever moet zijn werknemers namelijk in de gelegenheid te stellen hun uren te kunnen werken. Wij adviseren u hierover in overleg te gaan met de betreffende medewerkers.

Blijkt dat er geen of onvoldoende ander werk is dan mag dit niet voor rekening van de werknemer komen. Het betekent dat de werknemer recht houdt op loondoorbetaling over de geroosterde uren. Ook mag de werknemer niet worden verplicht deze uren op een later tijdstip in het jaar alsnog te maken. Het inhouden van vakantie- of PBL-uren is ook niet mogelijk zonder instemming van de medewerker. 

Er is onvoldoende werk voorhanden omdat de dagbesteding is gesloten en niet alle medewerkers op woongroepen kunnen worden ingezet. Hoe gaan we om met opgebouwde plusuren van medewerkers die we niet in kunnen zetten omdat er niet genoeg werk is?

Of de werkgever de door een medewerker opgebouwde plusuren kan inzetten/compenseren in deze periode zal afhangen van de afspraken die met de betreffende medewerker gemaakt zijn. Als de afspraak is dat eerder gemaakte plusuren elders in het jaar gecompenseerd worden, dan zou u deze uren nu kunnen compenseren. Zijn er andere afspraken gemaakt of gebruikelijk, bijvoorbeeld dat de uren in een bepaalde periode worden gecompenseerd, dan kan dit weer anders liggen. U dient hierbij rekening te houden met het arbeids- en rustpatroon van de werknemer.

Vragen over thuiswerken

Moet ik mijn werknemers thuis laten werken?

Het kabinet roept werkgevers op om werknemers zo veel mogelijk thuis te laten werken. Daarnaast is de oproep aan u om de werktijden van uw werknemers zo veel mogelijk te spreiden (Rijksoverheid). 

Kan een werknemer nog aanspraak maken op een reiskostenvergoeding als hij thuis werkt?

Artikel 9:1 CAO gaat er van uit dat een werkgever samen met de OR/PVT een eigen regeling maakt voor reiskosten woon-werkverkeer. Heeft u een eigen reiskostenregeling woon-werkverkeer, dan is het afhankelijk van de inhoud van deze regeling of een werknemer nog aanspraak kan maken op een reiskostenvergoeding als hij thuis werkt.  

Is er geen regeling reiskosten woon-werkverkeer met de OR/PVT tot stand gekomen dan heeft een werknemer op grond van artikel 9:1 minimaal recht op een tegemoetkoming in de reiskosten van 8 cent per kilometer voor het eenmaal dagelijks heen en weer reizen van zijn woning naar zijn werk. De maximale vergoeding is gebaseerd op een enkele reisafstand van 30 kilometer. Op het moment dat er geen reisbewegingen meer plaats vinden tussen de woning en het werk (omdat de werknemer thuis werkt), kan de werkgever de reiskostenvergoeding op grond van de CAO stopzetten.  

Versoepeling beleid vaste reiskostenvergoeding  

Het ministerie van Financiën heeft een versoepeling aangebracht met betrekking tot de betaling van de vaste reiskostenvergoeding. Als een werkgever een vaste reiskostenvergoeding aan zijn werknemers betaalt, die vanwege de coronacrisis (bijna) volledig thuiswerken, dan mag hij deze vergoeding blijven betalen tot 1 oktober 2021. Voorwaarde is dat u de vaste reiskostenvergoeding voor 13 maart 2020 hebt toegekend aan uw werknemers. 

Meer informatie over reiskostenvergoedingen en OV-abonnementen van uw werknemers vindt u op de site van de Belastingdienst. 

Is een werkgever verplicht om een thuiswerkvergoeding te geven?

Wij volgen de richtlijnen van AWVN.  

Uitzonderlijke situatie 
Op dit moment is er sprake van een uitzonderlijke situatie en kunnen we niet stellen dat thuiswerken een normale werkplek is. Het is aan het overleg tussen werkgever en werknemer, eventueel tijdelijk, apparatuur ter beschikking te stellen. Wel is het zinvol, zeker omdat deze periode van thuiswerken waarschijnlijk wel enige tijd duurt, werknemers voor te lichten over het goed inrichten van hun werkplek. Niemand is er immers bij gebaat wanneer medewerkers klachten aan hun nek, armen, rug of schouders ontwikkelen. 

Vragen over vakantie

Mag de werkgever een verzoek van een werknemer om vakantie afwijzen? 

De werkgever kan een verzoek van de werknemer tot het opnemen van vakantie afwijzen op basis van gewichtige redenen. Daarvan is sprake als het inwilligen van het verzoek tot ernstige verstoring van de bedrijfsvoering zou leiden. De werkgever dient de gewichtige reden binnen twee weken nadat de werknemer zijn wens schriftelijk kenbaar heeft gemaakt, schriftelijk mee te delen.

In geval van gewichtige redenen wordt de vakantie op zodanige wijze vastgesteld dat de werknemer als desverlangd, voor zover zijn aanspraak daartoe toereikend is, gedurende twee opeenvolgende weken of tweemaal een week geen arbeid hoeft te verrichten. De werkgever is verplicht de werknemer de resterende aanspraak op vakantie in dagen of uren te verlenen, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. (Artikel 7:638 BW).

Mag de werkgever besluiten dat in een bepaalde periode geen vakantie mag worden opgenomen? 

Ook als de werkgever heeft besloten dat in een bepaalde periode geen vakantie mag worden opgenomen, dan kan de werkgever een verzoek van de werknemer tot het opnemen van vakantie in de betreffende periode alleen afwijzen op basis van gewichtige redenen (zie het antwoord op de vraag 'Mag de werkgever een verzoek van een werknemer om vakantie afwijzen?').

Mag de werkgever een reeds toegekende vakantie intrekken?

De werkgever kan als daar gewichtige redenen toe zijn, na overleg met de werknemer, een verleende vakantie intrekken. Indien de werknemer als gevolg van het intrekken van de vakantie geldelijk schade lijdt, heeft de werknemer recht op vergoeding van de schade. (Artikel 8:8 CAO, Artikel 7:638 BW).

Hoe om te gaan met een verzoek van de werknemer om in de huidige situatie zijn vakantie in te trekken. Mag de werkgever dit verzoek weigeren?

Het is denkbaar dat medewerkers hun reeds geplande en toegekende vakantie de komende periode willen intrekken. Een medewerker kan dit niet eenzijdig doen en zal daarover met u als werkgever in overleg moeten treden. In het kader van goed werkgeverschap adviseren wij u om u hierin zo veel mogelijk soepel op te stellen. Dat op een later moment niet alle medewerkers tegelijk alsnog met vakantie kunnen, moge ook duidelijk zijn. En ook het voldoende rust nemen door medewerkers, zeker in deze tijd, blijft een aandachtspunt.

Vervallen de vakantie-uren, die zijn opgebouwd in 2020, per 1 juli 2021 als de werknemer deze uren niet voor deze datum opneemt?

De wet zegt dat de vakantie-uren die in een bepaald jaar zijn opgebouwd, zes maanden na het opbouwjaar komen te vervallen tenzij de werknemer redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen (vervaltermijn). Van belang hierbij is wel dat de werkgever: 

  • de werknemer actief heeft geïnformeerd dat zijn vakantie-uren vervallen als hij deze niet opneemt; 

  • de werkgever de werknemer de mogelijkheid heeft gegeven zijn vakantie-uren op te nemen.  

Eventueel kunnen werkgever en werknemer ook (vooraf) schriftelijk overeenkomen dat er een langere vervaltermijn geldt dan zes maanden, bijvoorbeeld omdat het te druk is op het werk en het niet mogelijk is alle vakantie-uren voor de vervaltermijn op te nemen. 

Indien werkgever en werknemer geen andere vervaltermijn afspreken dan vervallen de vakantie-uren die zijn opgebouwd in 2020 per 1 juli 2021 als de werknemer de vakantie-uren redelijkerwijs had kunnen opnemen. Of dit zo is, zal afhankelijk zijn van de individuele situatie van de werknemer. In het geval de werknemer redelijkerwijs niet in staat is geweest zijn vakantie-uren op te nemen, geldt een verjaringstermijn van 5 jaren (artikel 7:642 BW).  

Graag wijzen we op het belang van een goed gesprek tussen de werknemer en leidinggevende om met elkaar tot afspraken te komen die werkbaar zijn voor zowel de werknemer als de organisatie. Zowel de werkgever als de werknemer dienen zich te gedragen als een goed werkgever en werknemer (artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek). Dat betekent dat de verschillende belangen in ogenschouw worden genomen zoals de recuperatie van de werknemer, het risico van onvoldoende bezetting, de kwaliteit van de zorg en de onevenredige herbezettingskosten. 

Meer concreet betekent dit dat er een wederzijds belang bestaat dat de werknemer met enige regelmaat even afstand neemt van het werk om weer te kunnen opladen. Tegelijkertijd zal er bij het toekennen van vakantie rekening gehouden moeten worden met een zekere spreiding van vakanties zodat de continuering van de zorg aan de cliënten steeds is gewaarborgd. Bovendien is het van belang de periode van tekorten in bezetting (vaak de zomerperiode) niet te verschuiven naar enig ander moment in het jaar.

Mag een werkgever een werknemer verbieden naar het buitenland met vakantie te gaan?

Nee, een werkgever kan niet een vakantiebestemming van een werknemer bepalen. Wel is aan te raden de werknemer te wijzen op mogelijke consequenties van de keuze om naar een ‘code oranje’ of ‘code rood’ land te gaan. Zie hiervoor ook de navolgende vragen en antwoorden.

Heeft een werknemer recht op loon als hij vanwege een uitreisverbod of quarantaine na vakantie in het buitenland geen arbeid kan verrichten?

Vanaf 1 januari 2020 is het uitgangspunt van de wet: ‘geen arbeid, wel loon’. Dit betekent dat in beginsel het salaris van een werknemer moet worden doorbetaald, tenzij het niet kunnen verrichten van de werkzaamheden volledig aan de werknemer te wijten is. Met andere woorden: heeft de werknemer schuld aan het ontstaan van de situatie waardoor er geen arbeid kan worden verricht? Die vraag moet van geval tot geval worden beantwoord, waarbij de bewijslast bij de werkgever ligt.

Als een werknemer naar een land reist met ‘code geel’, en die code wijzigt gedurende de vakantie in ‘code oranje’ waardoor de werknemer niet kan terugkeren of bij thuiskomst in quarantaine moet, dan heeft de werknemer niet per definitie een groot risico genomen. Naar verwachting is de kans klein dat dit risico voor rekening van werknemer komt. De werknemer heeft dan dus recht op loon.

Reist de werknemer af naar een land met ‘code oranje’ of ‘code rood’ dan zou gesteld kunnen worden dat de werknemer een onnodig en bewust risico heeft genomen, dat voor zijn risico behoort te komen. De werknemer kan dan ook geen aanspraak maken op loon als hij niet tijdig kan terugkeren dan wel na terugkomst in quarantaine moet. Uiteraard heeft de werknemer wel recht op loon als blijkt dat hij, al dan niet vanaf zijn vakantieadres, werkzaamheden kan verrichten.

Let op! Inhouding van loon is een zware sanctie. Zeker, in geval van quarantainemaatregelen, is nog niet bekend hoe een rechter hier tegenaan kijkt. Het is daarom noodzakelijk om uw werknemers voorafgaand aan hun vakantie schriftelijk en nadrukkelijk te wijzen op het (aanzienlijke) risico dat zij nemen door af te reizen naar een risicogebied (‘code oranje’ of ‘code rood’) en de gevolgen die dit met zich mee kan brengen indien zij door een uitreisverbod of quarantaine geen arbeid kunnen verrichten.

Heeft de werknemer die afreist naar een risicogebied en ziek wordt recht op loondoorbetaling?

Ja, in beginsel heeft deze werknemer recht op loon. De wet geeft namelijk aan dat een zieke medewerker geen recht heeft op doorbetaling van zijn loon als de ziekte door zijn opzet is veroorzaakt. De opzet moet gericht zijn op het ziek worden en de medewerker moet de ziekte hebben willen veroorzaken. Een werkgever moet deze opzet bewijzen. Dit zal in de praktijk erg lastig zijn, aangezien uit de rechtspraak volgt dat risicovol gedrag niet kan worden gekwalificeerd als opzet.

Mag ik als werkgever een werknemer vragen of hij naar een gebied met ‘code oranje’ of ‘code rood’ is geweest?

Ja, dat mag. U vraagt hem/haar niet om medische gegevens. U heeft een gerechtvaardigd belang omdat u uw (wettelijke) zorgplichten voor werknemers en/of cliënten moet nakomen, ondanks het feit dat een bevestigend antwoord negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor de werknemer. Het is daarom wel belangrijk uw beleid op dit punt van tevoren bekend te maken.

Vragen over calamiteitenverlof / kortdurend zorgverlof / ouderschapsverlof

Heeft de werknemer recht op calamiteitenverlof in geval van tijdelijke sluiting van de kinderopvang of de school?

Als er sprake is van sluiting van kinderopvangcentra en scholen in verband met het coronavirus dan kan het soms even duren voordat een werknemer opvang heeft gevonden voor zijn kind(eren). De werknemer kan dan een beroep doen op het calamiteitenverlof. Het calamiteitenverlof is echt bedoeld om gedurende een korte periode een acuut privéprobleem op te lossen. Heeft de werknemer langer verlof nodig, dan kan hij in overleg met de werkgever vakantie-uren, PBL-uren of onbetaald verlof opnemen. (Artikel 4:1 Wet arbeid en zorg).  

Heeft de werknemer recht op calamiteitenverlof als de klas van het kind van de werknemer in quarantaine moet?

Als er sprake is van een gehele klas die in quarantaine moet vanwege een besmetting met COVID-19 van een klasgenoot dan kan het soms even duren voordat een werknemer opvang heeft gevonden voor zijn kind(eren). De werknemer kan dan een beroep doen op het calamiteitenverlof. Het calamiteitenverlof is echt bedoeld om gedurende een korte periode een acuut privéprobleem op te lossen. Heeft de werknemer langer verlof nodig, dan kan hij in overleg met de werkgever vakantie-uren, PBL-uren of onbetaald verlof opnemen. (Artikel 4:1 Wet arbeid en zorg).  

Is er sprake van ziekte van het kind van de werknemer zelf dan kan een beroep worden gedaan op kortdurend zorgverlof (Artikel 5:1 Wet arbeid en zorg).

Mag de werkgever, in verband met een personeelstekort, een steekhoudend verzoek van een werknemer om calamiteitenverlof afwijzen? 

Nee. De wet voorziet niet in mogelijkheden om een steekhoudend verzoek om calamiteitenverlof af te wijzen. Het calamiteitenverlof is beperkt tot ‘een korte, naar billijkheid te berekenen tijd, wanneer de werknemer zijn werk niet kan verrichten wegens zeer persoonlijke omstandigheden’. Dit geeft aanknopingspunten om met de werknemer in overleg te treden over de mogelijkheden om de duur van het verlof zoveel mogelijk te beperken. (Artikel 4:1 Wet arbeid en zorg).

Mag de werkgever, in verband met een personeelstekort, een steekhoudend verzoek van een werknemer om kortdurend zorgverlof afwijzen? 

Het kortdurend zorg verlof vangt niet aan of eindigt zodra de werkgever tegen het opnemen of voortzetten ervan een dusdanig zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang heeft, dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. (Artikel 5:4 lid 2 Wet arbeid en zorg).

Hoe luidt het antwoord op de voorgaande twee vragen als het verzoek om verlof verband houdt met sluiting van de kinderdagverblijven en de scholen vanwege het coronavirus? 

Calamiteitenverlof:  
Het antwoord luidt niet anders.  
De wet voorziet niet in mogelijkheden om een steekhoudend verzoek om calamiteitenverlof af te wijzen. Het calamiteitenverlof is beperkt tot ‘een korte, naar billijkheid te berekenen tijd, wanneer de werknemer zijn werk niet kan verrichten wegens zeer persoonlijke omstandigheden’. Dit geeft aanknopingspunten om met de werknemer in overleg te treden omtrent over de mogelijkheden om de duur van het verlof zoveel mogelijk te beperken. (Artikel 4:1 Wet arbeid en zorg). 

Kortdurend zorgverlof: 
Kortdurend zorgverlof wordt alleen verleend ten behoeve van de noodzakelijke verzorging van partners en naaste familie in verband met ziekte, en is in het gegeven geval dus niet aan de orde. Zie voor de kring van zorgbehoevenden artikel 5:1 Wet arbeid en zorg.

Mag de werkgever besluiten dat in een bepaalde periode geen ouderschapsverlof mag worden opgenomen?

Nee. De werknemer heeft recht op verlof van ten hoogste zesentwintig maal de wekelijkse arbeidsduur. De wet voorziet niet in mogelijkheden om een dergelijk verzoek om ouderschapsverlof af te wijzen. De werkgever kan, na overleg met de werknemer, de door deze gewenste wijze van invulling van het verlof op grond van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang wijzigen, tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof. (Artikel 6:2 en 6:5 Wet arbeid en zorg).

Mag de werkgever reeds toegekend ouderschapsverlof (voor een bepaalde periode) intrekken?

Nee. De wet voorziet niet in mogelijkheden om reeds verstrekt ouderschapsverlof in te trekken.

De werkgever kan wel, na overleg met de werknemer, de spreiding van de uren over de week op grond van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang wijzigen, tot vier weken voor het tijdstip van ingang van het verlof. (Artikel 6:5 Wet arbeid en zorg).

Vragen over werktijdverkorting

Kan ik als werkgever werktijdverkorting en een WW-uitkering voor mijn werknemers aanvragen?

Nee, dat is niet meer mogelijk. Het kabinet heeft op 17 maart 2020 een nieuwe tijdelijke maatregel geïntroduceerd het Noodfonds Overbrugging Werkgelegenheid (NOW). En op 20 mei jl. de NOW 2.0.   

Voor Wlz (in de maanden maart t/m juli) en voor het sociaal domein (voor de maanden maart t/m juni) golden landelijke regelingen voor compensatie van omzetderving. VWS had met zorgkantoren en gemeenten afgesproken dat zorgaanbieders eerst een beroep op die landelijke regelingen moesten doen, voordat zij een beroep kunnen doen op het noodpakket van het kabinet (waaronder de NOW). Echter, met het afbouwen van de landelijke coronamaatregelen zijn die generieke landelijke regelingen ingewisseld voor (lokale) maatwerkregelingen.  Aanbieders die worden geconfronteerd met liquiditeits- en andere financiële problemen dienen dan ook eerst in overleg te treden met hun reguliere financiers voordat zij NOW aanvragen. 

De VGN zou, daar waar mogelijk, verzoeken om arbeidstijdverkorting willen voorkomen. De handen in de zorg zijn momenteel schaars. We vragen onze leden dan ook te onderzoeken of er andere ‘creatieve’ oplossingen zijn door (tijdelijk) overtollige medewerkers in te zetten op plekken waar wel tekorten zijn (desnoods buiten de eigen organisatie of eigen branche).  

Er is een breed landelijk initiatief gestart om vraag en aanbod in Zorg en Welzijn te matchen. Via deze landelijke website worden vraag om extra handen en aanbod van extra zorgpersoneel in kaart en bij elkaar gebracht: www.extrahandenvoordezorg.nl  

Vragen over privacy

Kan een werknemer worden verplicht mee te werken aan een medisch onderzoek naar mogelijke besmetting van de werknemer met het coronavirus? 

Nee, in beginsel niet. Op grond van de privacy wetgeving is het niet toegestaan om medewerkers preventief te testen / te controleren op Corona. Het is in Nederland namelijk niet toegestaan om medische persoonsgegevens van medewerkers te verwerken. Het (preventief) medisch testen / controleren van medewerkers op Corona kan enkel via een (bedrijfs)arts.

De wet voorziet ook niet in deze specifieke crisissituatie. Dit betekent dat er in de wet geen uitzondering is gemaakt op bovenstaande hoofdregel. Dit neemt niet weg dat de situatie maakt dat, het voor de continuïteit van de zorgverlening, noodzakelijk kan zijn om medewerkers te testen. Is dat het geval dan dient dit in de eerste plaats goed onderbouwd en gemotiveerd te kunnen worden. Vervolgens is het van belang om in elk geval de bedrijfsarts en de Functionaris Gegevensbescherming aan te haken. Tot slot is het essentieel om – indien hiertoe wordt overgegaan – de minst privacy-belastende route te kiezen om er voor te zorgen dat minimaal persoonsgegevens worden verwerkt. Bijvoorbeeld kan gedacht worden aan inventarisatie op afdelingsniveau die niet te herleiden zijn naar persoonsniveau. Stem de handelswijze ook met de bedrijfsarts en de Functionaris Gegevensbescherming af. 

Gezien de snelheid waarmee de ontwikkelingen – ook voor wat betreft regelgeving en handhaving elkaar opvolgen – raden wij u aan om ook de site van de Autoriteit Persoonsgegevens te raadplegen. 

Mag ik mijn werknemer vragen of hij of zij het coronavirus heeft?

Nee, dat mag niet. Als werkgever mag u niet vragen naar de aard en oorzaak van iemands ziekte. Let op: vertelt uw werknemer uit zichzelf wat hij of zij mankeert? Dan mag u deze informatie niet vastleggen of delen. (Bron: Autoriteit Persoonsgegevens).

Vragen over wet arbeidsmarkt in balans (WAB)

Mijn werknemers werken veel over in verband met het coronavirus. Moet ik dan de lage WW-premie herzien?

De bepaling dat voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt de hoge WW-premie moet worden afdragen wordt voor 2020 voor alle werkgevers opgeschort.

Sinds 1 januari betalen werkgevers, onder de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab), een lage WW-premie voor vaste contracten en een hoge WW-premie voor flexibele contracten. In het verlengde daarvan is in het Besluit Wfsv opgenomen dat werkgevers met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie moeten afdragen voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt. Deze bepaling leidt nu tot onbedoelde effecten in sectoren waar vanwege het Coronavirus veel extra overwerk nodig is, zoals de zorg. De Stichting van de Arbeid heeft daarom verzocht deze regeling aan te passen. Het kabinet heeft toegezegd de regeling tijdelijk te wijzigen.

Om deze onbedoelde effecten weg te nemen is besloten dat werkgevers over het kalenderjaar 2020 op basis van de 30% herzieningssituatie de lage WW-premie niet hoeven te herzien. Dit staat in de Kamerbrief moties en toezeggingen maatregelen noodpakket. Omdat een gerichte sectorale maatregel zeer bewerkelijk is voor de uitvoering, is ervoor gekozen om voor het jaar 2020 een generieke uitzondering te maken voor de 30% herzieningssituatie. Een generieke oplossing geldend voor alle werkgevers, voorkomt daarnaast onduidelijkheid over wie er wel of niet onder de uitzondering moet vallen. Geen enkele werkgever hoeft dus over het jaar 2020 de WW-premie op grond van die situatie te herzien. Het Besluit Wfsv zal hiertoe tijdelijk worden aangepast.

Ook in 2021 zal in bepaalde sectoren nog veel overwerk nodig zijn als gevolg van corona. De 30% herzieningssituatie zal daarom tevens in 2021 worden opgeschort.

Vanwege de coronacrisis heb ik niet voor iedere medewerker die voor 1 januari 2020 in dienst was voor onbepaalde tijd een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor 1 april aanstaande. Moet ik dan alsnog een hoge WW-premie gaan betalen?

Op 9 december jl. heeft de minister van SZW aan de Tweede Kamer gemeld dat werkgevers tot 1 april 2020 de tijd kregen om een vaste arbeidsovereenkomst op schrift te stellen, om te voldoen aan de voorwaarden voor de lage WW-premie. Omdat het vanwege het Coronavirus niet voor alle werkgevers praktisch mogelijk is om aan die voorwaarde te voldoen, is deze periode verlengd tot 1 juli 2020.

Vragen over fiscale maatregelen

Welke regels gelden er met betrekking tot het vaststellen van de identiteit van een werknemer?

Werkgevers hebben bepaalde wettelijke verplichtingen. De huidige omstandigheden kunnen ervoor zorgen dat werkgevers deze verplichtingen niet tijdig kunnen nakomen. Zo heeft de werkgever de plicht om de identiteit van de werknemer vast te stellen aan de hand van een identiteitsbewijs. Als een werkgever een werknemer niet tijdig kan identificeren, kan dit leiden tot een forse boete. Ook betekent dit dat de toepassing van het anoniementarief achterwege kan blijven als de werkgever de identiteit van de werknemer alsnog vaststelt zodra hij daar in redelijkheid toe in staat is. Op de site van de VGN is hierover meer informatie te vinden.

Kan ik een vaste vergoeding (bijv. een vaste reiskostenvergoeding of lunchvergoeding) aan mijn werknemer blijven vergoeden, ook al werken zij vanwege het coronavirus (bijna) volledig thuis?

Ja, u hoeft de vaste vergoeding niet aan te passen. Tot en met 31 december 2020 mag u blijven uitgaan van de feiten waarop de vaste vergoeding was gebaseerd. Voorwaarde is wel dat u de vaste vergoeding voor 13 maart 2020 hebt toegekend aan uw werknemers. 

Als een werkgever een vaste reiskostenvergoeding aan zijn werknemers betaalt, die vanwege de coronacrisis (bijna) volledig thuiswerken, dan mag hij deze vergoeding blijven betalen tot 1 oktober 2021. Voorwaarde is dat u de vaste reiskostenvergoeding voor 13 maart 2020 hebt toegekend aan uw werknemers. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de Belastingdienst

Geldt er tijdens de coronacrisis een verruiming van de werkkostenregeling?

Via de werkkostenregeling kunnen werkgevers onbelaste vergoedingen aan werknemers geven. De vrije ruimte die werkgevers hebben om deze onbelaste vergoedingen te geven wordt in 2020 en 2021 verhoogd van 1,7% naar 3% voor de eerste € 400.000 van de loonsom per werkgever. Voor het restant van de fiscale loonsom dat meer bedraagt dan € 400.000 is het percentage in 2021: 1,18%.

Ik werk momenteel vanwege de coronacrisis veel meer dan normaal. Hierdoor stijgt mijn inkomen. Komt mijn huurtoeslag hiermee in gevaar?

Ja, dit is mogelijk het geval. De afgelopen weken is, naar aanleiding van Kamervragen, verkend of er voor de zorg en/of voor andere vitale sectoren waar nu veel wordt overgewerkt een maatregel of regeling getroffen kan worden die voorkomt dat een mogelijk hoger huishoudinkomen in 2020 als gevolg van het overwerk doorwerkt naar de toeslagen. Staatssecretaris Van Huffelen heeft laten weten dat de uitkomst van deze verkenning is dat het niet mogelijk is om uitzonderingen te maken voor specifieke groepen, of dat op een of andere manier rekening kan worden gehouden met een eventueel resulterende terugvordering van toeslagen als gevolg van overwerk na afloop van dit corona-jaar. De Belastingdienst/Toeslagen kan namelijk niet zien of iemand in de zorg of in een andere vitale sector werkt en kan ook niet uit de basisregistratie inkomen halen of het inkomen afkomstig is uit regulier werk of uit overwerk. Dat betekent dat, als er in deze coronatijd compensatie geboden zou worden voor vermindering van toeslagen als gevolg van overwerk, dit voor iedereen zou moeten gelden die in 2020 meer is gaan verdienen, dus ook als gevolg van een nieuwe baan, een andere partner of een gewijzigd arbeidscontract.

Heeft u een vraag, die hierboven niet aan de orde komt, stuur dan een e-mail naar corona@vgn.nl.

Deze pagina is een onderdeel van: